- 1. Wanneer wordt een overtuiging een beperking?
- 2. Hoe ontstaat een beperkende overtuiging?
- 3. Hoe beïnvloedt een beperkende overtuiging je wereldmodel?
- 4. Welke invloed hebben beperkende overtuigingen op je leven?
- 5. Hoe hangen beperkende overtuigingen samen met zelfbeeld?
- 6. Kunnen dromen beperkende overtuigingen zichtbaar maken?
- 7. Kan een beperkende overtuiging veranderen in een helpende overtuiging?
- 8. Hoe kun je een beperkende overtuiging veranderen?
- 9. Wat is de rol van nieuwe ervaringen?
- 10. Wat betekenen beperkende overtuigingen voor persoonlijke groei?
- 11. Tenslotte
Beperkende overtuiging
Een beperkende overtuiging is een, vaak onbewuste, gedachte of aanname die je belemmert in je denken en handelen. Het is als een innerlijke stem die mede bepaalt wat jij denkt dat mogelijk is — en vooral wat niet.
Deze overtuigingen ontstaan meestal niet bewust. Ze kunnen zich vormen door ervaringen, opvoeding, cultuur, sociale omgeving en herhaling. Wat ooit begon als een begrijpelijke conclusie, kan uitgroeien tot een overtuiging die invloed heeft op je gedrag, je zelfbeeld en de keuzes die je maakt.
Een overtuiging als "ik kan dit niet" kan daardoor veel meer worden dan een losse gedachte. Ze kan onderdeel worden van je wereldmodel: het geheel van verwachtingen, aannames en overtuigingen waarmee je naar jezelf, anderen en de wereld kijkt.
Juist daar ligt ook ruimte voor verandering. Een beperkende overtuiging kan veranderen in een meer helpende overtuiging. Tegelijkertijd kunnen aangrenzende mogelijkheden zichtbaar worden die het bestaande wereldmodel verrijken.
1. Wanneer wordt een overtuiging een beperking?
Niet iedere beperking is een beperkende overtuiging. Sommige grenzen zijn reëel en aantoonbaar, andere worden vooral ervaren of aangenomen.
We kunnen bijvoorbeeld onderscheid maken tussen:
- fysieke beperkingen – zoals een blessure, handicap of andere lichamelijke grens;
- mentale of emotionele beperkingen – bijvoorbeeld angst die bepaald gedrag moeilijker maakt;
- aangenomen beperkingen – overtuigingen over wat je kunt, mag of waard bent;
- onbewuste beperkingen – aannames die je gedrag beïnvloeden zonder dat je ze duidelijk als overtuiging herkent.
Vooral die laatste twee zijn interessant binnen persoonlijke groei.
Iemand kan bijvoorbeeld denken:
"Ik ben niet creatief."
Misschien ontstond die gedachte ooit doordat tekenen of schilderen niet goed ging. Maar daarmee kan ongemerkt een veel bredere conclusie zijn ontstaan.
Niet goed kunnen tekenen betekent immers niet automatisch dat iemand niet creatief kan denken, schrijven, koken, ondernemen of problemen oplossen.
Een oorspronkelijke ervaring kan zo een grens worden die veel groter is dan de ervaring zelf.
2. Hoe ontstaat een beperkende overtuiging?
Beperkende overtuigingen kunnen ontstaan wanneer ervaringen een bepaalde betekenis krijgen en die betekenis vervolgens wordt herhaald of bevestigd.
Een kind hoort bijvoorbeeld regelmatig:
"Laat je zus dat maar doen, die kan dat beter."
Daaruit kunnen verschillende conclusies ontstaan:
Mijn zus kan dit beter dan ik.
Later misschien:
Ik ben hier niet goed in.
En uiteindelijk:
Dit soort dingen kan ik gewoon niet.
Zo kan een patroon ontstaan:
ervaring → interpretatie → herhaling → overtuiging → gedrag
Niet iedere overtuiging ontstaat in de jeugd en er hoeft ook niet altijd één duidelijke gebeurtenis aan ten grondslag te liggen. Sommige overtuigingen groeien langzaam doordat vergelijkbare ervaringen steeds op dezelfde manier worden geïnterpreteerd.
Wat ooit logisch of zelfs beschermend was, kan later beperkend worden.
3. Hoe beïnvloedt een beperkende overtuiging je wereldmodel?
Een wereldmodel helpt je betekenis te geven aan wat je meemaakt. Op basis van eerdere ervaringen ontstaan verwachtingen over jezelf, andere mensen en wat waarschijnlijk of mogelijk is.
Dat geeft houvast.
Maar je wereldmodel is niet hetzelfde als de werkelijkheid. Het is jouw persoonlijke voorstelling daarvan.
Een beperkende overtuiging kan binnen dat model bepaalde mogelijkheden kleiner maken of zelfs volledig buiten beeld plaatsen.
Stel dat iemand gelooft:
"Ik ben slecht met mensen."
Die overtuiging kan ertoe leiden dat iemand:
- sociale situaties vermijdt;
- minder gesprekken begint;
- ongemakkelijke momenten sterker onthoudt;
- positieve contacten als toeval beschouwt;
- steeds minder nieuwe sociale ervaringen opdoet.
De overtuiging kan zichzelf daardoor gedeeltelijk blijven bevestigen.
Aangrenzende mogelijkheden
Er hoeft niet onmiddellijk tegenover te staan:
"Ik ben geweldig met mensen."
Eerst kunnen andere mogelijkheden zichtbaar worden:
→ Met sommige mensen praat ik gemakkelijker.
→ Eén-op-één contact ligt mij beter dan grote groepen.
→ Gesprekken voeren is gedeeltelijk een vaardigheid.
→ Spanning betekent niet dat een gesprek mislukt.
→ Misschien heb ik vooral weinig positieve ervaring.
Er gebeurt dan iets belangrijks.
De oude overtuiging is misschien nog aanwezig, maar het wereldmodel is al groter geworden.
4. Welke invloed hebben beperkende overtuigingen op je leven?
Een beperkende overtuiging kan precies tussen een verlangen en het uiteindelijke gedrag terechtkomen.
Je wilt iets, maar begint niet. Je krijgt een kans, maar grijpt hem niet. Je wilt een grens aangeven, maar zwijgt. Je begint ergens enthousiast aan en trekt je terug zodra onzekerheid ontstaat.
Dat kan zichtbaar worden in:
- uitstelgedrag;
- vermijden van kansen;
- faalangst;
- perfectionisme;
- weinig assertiviteit;
- moeilijk grenzen stellen;
- twijfel aan jezelf;
- snel opgeven;
- terugkerende gedragspatronen.
Maar het is belangrijk om niet ieder probleem automatisch aan een beperkende overtuiging toe te schrijven. Stress, emoties, omstandigheden, gewoonten, zelfregulatie en andere factoren kunnen eveneens invloed hebben.
Het interessante zit juist in de samenhang.
- Wat denk ik?
- Wat voel ik?
- Wat verwacht ik?
- Wat doe ik vervolgens?
Een overtuiging kan één onderdeel van dat geheel zijn.
5. Hoe hangen beperkende overtuigingen samen met zelfbeeld?
Sommige overtuigingen worden zo algemeen dat ze onderdeel worden van het zelfbeeld.
Er bestaat bijvoorbeeld een groot verschil tussen:
"Deze presentatie ging niet goed."
"Ik kan niet presenteren."
en:
"Ik ben onzeker."
De eerste uitspraak gaat over een gebeurtenis. De tweede over een vaardigheid. De derde over wie iemand denkt te zijn.
Hoe algemener de conclusie wordt, hoe meer situaties erdoor beïnvloed kunnen worden.
Zelfkennis kan helpen om dat onderscheid zichtbaar te maken:
Wat heb ik werkelijk ervaren?
versus
Wat ben ik daarover gaan geloven?
Daarmee wordt een overtuiging niet automatisch onwaar. Wel ontstaat ruimte om te onderzoeken of de conclusie nog steeds volledig past bij de werkelijkheid.
6. Kunnen dromen beperkende overtuigingen zichtbaar maken?
Dromen kunnen thema's bevatten die ook in het dagelijks leven belangrijk zijn, zoals angst, onzekerheid, conflicten, verlangen, relaties of falen.
Daardoor kunnen dromen aanleiding geven om stil te staan bij overtuigingen die met zulke thema's samenhangen.
Iemand kan bijvoorbeeld dromen dat hij voortdurend te laat komt, iets niet kan vinden of niet durft te spreken. Zo'n droom bewijst niet dat er één specifieke beperkende overtuiging achter zit. Droomsymbolen hebben geen universele betekenis waarmee automatisch een psychologische conclusie kan worden getrokken.
Maar een droom kan wel een ander perspectief bieden.
Opvallend kunnen bijvoorbeeld zijn:
- terugkerende emoties;
- situaties waarin je je machteloos voelt;
- gedrag dat afwijkt van hoe je overdag reageert;
- terugkerende conflicten;
- onverwachte mogelijkheden die in een droom juist vanzelfsprekend lijken.
Ook lucide dromen kunnen vanuit dit perspectief interessant zijn, omdat iemand zich tijdens de droom bewust kan zijn van het feit dat hij droomt en daardoor soms anders met de droomervaring kan omgaan.
Dromen kunnen zo een aangrenzende ingang vormen om bestaande patronen vanuit een ander perspectief te bekijken.
7. Kan een beperkende overtuiging veranderen in een helpende overtuiging?
Ja. Overtuigingen zijn niet noodzakelijk onveranderlijk.
Een beperkende overtuiging kan door nieuwe inzichten en ervaringen geleidelijk plaatsmaken voor een overtuiging die beter aansluit bij wat iemand inmiddels heeft geleerd.
Bijvoorbeeld:
"Ik kan niet voor mezelf opkomen."
kan veranderen in:
"Ik kan leren mijn grenzen duidelijker aan te geven."
En na voldoende nieuwe ervaringen misschien zelfs in:
"Ik kan voor mezelf opkomen."
Dat is iets anders dan jezelf dwingen om onmiddellijk het tegenovergestelde te geloven.
Van beperking naar mogelijkheid
Vaak ligt tussen een beperkende en een helpende overtuiging een heel gebied van aangrenzende mogelijkheden.
"Ik kan het niet."
kan bijvoorbeeld worden:
→ Misschien kan ik een deel ervan.
→ Misschien kan ik het leren.
→ Misschien heb ik een andere aanpak nodig.
→ Misschien lukt het met hulp.
→ Misschien geldt mijn conclusie niet in iedere situatie.
→ Ik heb iets vergelijkbaars eerder ook geleerd.
→ Misschien kan ik dit uiteindelijk wél.
Nieuwe mogelijkheden kunnen leiden tot nieuw gedrag. Dat gedrag levert nieuwe ervaringen op. En juist die ervaringen kunnen een nieuwe overtuiging steeds geloofwaardiger maken.
8. Hoe kun je een beperkende overtuiging veranderen?
Verandering begint vaak met bewustwording. Een gedachte die jarenlang als feit heeft gevoeld, moet eerst herkenbaar worden als een mogelijke overtuiging voordat er andere perspectieven naast kunnen ontstaan.
Daarna kunnen verschillende processen een rol spelen:
- Onderzoeken
Klopt de overtuiging altijd? Waar komt ze vandaan? Zijn er uitzonderingen? - Aangrenzende mogelijkheden zoeken
Welke verklaringen of handelingsmogelijkheden bestaan er naast de huidige conclusie? - Nieuwe ervaringen opdoen
Gedrag kan informatie opleveren die vanuit alleen nadenken niet beschikbaar komt. - Herhalen
Een enkele ervaring verandert niet noodzakelijk een diepgewortelde overtuiging. Herhaalde ervaringen kunnen een nieuwe verwachting sterker maken.
Daarbij worden binnen persoonlijke groei verschillende methoden gebruikt, waaronder mindfulness, meditatie, visualiseren, NLP, hypnose en hypnotherapie. Deze methoden verschillen sterk in uitgangspunten, toepassing en wetenschappelijke onderbouwing. Ze kunnen daarom niet zonder meer als gelijkwaardig of voor iedereen effectief worden beschouwd.
Wat ze vanuit verschillende invalshoeken wel proberen te beïnvloeden, is de relatie tussen aandacht, gedachten, verwachtingen, ervaring en gedrag.
9. Wat is de rol van nieuwe ervaringen?
Alleen anders denken is niet altijd voldoende.
Stel dat iemand jarenlang gelooft:
"Ik durf mijn grenzen niet aan te geven."
Die persoon kan honderd keer herhalen:
"Ik ben assertief."
maar wanneer dat niet aansluit bij de eigen ervaring, blijft de nieuwe uitspraak misschien leeg.
Dan gebeurt er op een dag iets anders.
De persoon geeft in een relatief veilige situatie één kleine grens aan.
En ontdekt:
het lukte.
De oude overtuiging is daarmee niet onmiddellijk verdwenen. Maar er is nieuwe informatie ontstaan die er niet volledig meer bij past.
"Ik kan nooit mijn grens aangeven"
is moeilijker vol te houden wanneer het één keer aantoonbaar wel is gebeurd.
Zo kunnen nieuwe ervaringen uiteindelijk leiden tot een helpende overtuiging:
aangrenzende mogelijkheid → ander gedrag → nieuwe ervaring → nieuwe verwachting → helpende overtuiging
De verandering zit dus zowel in denken als ervaren.
10. Wat betekenen beperkende overtuigingen voor persoonlijke groei?
Beperkende overtuigingen zijn binnen persoonlijke groei interessant omdat ze invloed kunnen hebben op wat iemand überhaupt als mogelijkheid ziet.
Maar persoonlijke groei hoeft niet alleen te draaien om het verwijderen van negatieve gedachten.
Er zijn twee bewegingen die naast elkaar kunnen bestaan.
De overtuiging kan veranderen
"Ik kan dit niet" → "Ik kan dit leren" → "Ik kan dit."
Het wereldmodel kan rijker worden
"Dit is onmogelijk" → "Welke mogelijkheden liggen ernaast?"
De eerste beweging verandert de overtuiging.
De tweede vergroot het aantal mogelijke perspectieven en keuzes.
Samen kunnen ze elkaar versterken.
Een nieuwe mogelijkheid kan tot een nieuwe ervaring leiden. Een nieuwe ervaring kan een helpende overtuiging geloofwaardiger maken. Die overtuiging kan vervolgens weer gedrag mogelijk maken dat vroeger buiten beeld bleef.
Zo ontstaat geen simpele rechte lijn, maar een wisselwerking:
overtuiging ↔ mogelijkheden ↔ gedrag ↔ ervaring ↔ wereldmodel
11. Tenslotte
Een beperkende overtuiging kan grote invloed hebben omdat zij bepaalt wat iemand voor mogelijk houdt, soms zonder duidelijk als overtuiging herkenbaar te zijn.
Maar overtuigingen staan niet voor altijd vast.
Ze kunnen worden onderzocht, genuanceerd en uiteindelijk veranderen. Een oude beperkende overtuiging kan plaatsmaken voor een helpende overtuiging die beter aansluit bij nieuwe ervaringen.
Tegelijkertijd hoeft verandering niet te wachten totdat de oude overtuiging volledig verdwenen is.
Er kunnen al eerder aangrenzende mogelijkheden ontstaan.
Zo hoeft:
"Ik kan dit niet"
niet onmiddellijk te veranderen in:
"Ik kan alles."
Er kan eerst iets tussen komen:
"Misschien is er meer mogelijk dan ik tot nu toe dacht."
Van daaruit kunnen nieuwe keuzes en ervaringen ontstaan. En soms groeit juist daaruit uiteindelijk een nieuwe overtuiging:
"Ik dacht dat ik het niet kon. Inmiddels weet ik dat ik het kan."
Daarmee verandert niet alleen één gedachte.
Ook het wereldmodel verandert mee.