- 1. Wat is metacognitie?
- 2. Hoe werkt metacognitie in de praktijk?
- 3. Wat heeft metacognitie met leren en geheugen te maken?
- 4. Is metacognitie hetzelfde als zelfreflectie?
- 5. Kunnen we ons eigen denken altijd goed beoordelen?
- 6. Welke rol spelen overtuigingen?
- 7. Wat heeft metacognitie met het wereldmodel te maken?
- 8. Kun je metacognitie ontwikkelen?
- 9. Tenslotte
Metacognitie
Metacognitie betekent dat je je bewust kunt zijn van je eigen denken en andere cognitieve processen en deze tot op zekere hoogte kunt beoordelen en bijsturen. Het wordt daarom vaak eenvoudig omschreven als ‘denken over denken’.
Wanneer je tijdens het leren beseft dat je een tekst eigenlijk niet begrijpt, gebruik je metacognitie. Hetzelfde gebeurt wanneer je merkt dat je aandacht afdwaalt, twijfelt of een herinnering betrouwbaar is of ontdekt dat je een probleem steeds vanuit dezelfde invalshoek bekijkt.
Metacognitie maakt het mogelijk om niet alleen te denken, maar ook naar het eigen denken te kijken.
1. Wat is metacognitie?
Het begrip metacognitie werd vooral bekend door het werk van ontwikkelingspsycholoog John Flavell.
Metacognitie gaat over kennis van en bewustzijn van de eigen cognitieve processen.
Je kunt bijvoorbeeld weten:
Ik onthoud informatie beter wanneer ik verbanden leg.
Maar metacognitie gaat verder dan kennis alleen.
Tijdens een moeilijke taak kun je ook opmerken:
Mijn huidige aanpak werkt niet.
Vervolgens kun je besluiten een andere strategie te gebruiken.
Daarmee bevat metacognitie twee belangrijke processen:
- monitoren – waarnemen en beoordelen wat er in het eigen denken gebeurt;
- controleren – het denken of gedrag op basis daarvan bijsturen.
2. Hoe werkt metacognitie in de praktijk?
Stel dat je een ingewikkeld artikel leest.
Na drie pagina's realiseer je je:
Ik lees wel, maar ik begrijp nauwelijks wat er staat.
Dat is metacognitieve monitoring.
Vervolgens besluit je langzamer te lezen, moeilijke begrippen op te zoeken en na iedere alinea kort samen te vatten wat je hebt begrepen.
Dat is metacognitieve controle.
Hetzelfde proces komt in het dagelijks leven voortdurend voor.
Je kunt bijvoorbeeld merken dat je:
- wordt afgeleid;
- iets niet goed begrijpt;
- onvoldoende informatie hebt;
- te snel een conclusie trekt;
- iets waarschijnlijk bent vergeten;
- een andere strategie nodig hebt.
Metacognitie helpt vervolgens bepalen wat je daarmee doet.
3. Wat heeft metacognitie met leren en geheugen te maken?
Metacognitie speelt een belangrijke rol bij leren.
Een leerling die goed kan inschatten welke stof hij al beheerst en welke nog niet, kan zijn aandacht gerichter verdelen.
Daarvoor moet de eigen kennis wel redelijk nauwkeurig worden ingeschat.
Mensen zijn daar niet altijd goed in.
Een tekst meerdere keren lezen kan bijvoorbeeld een sterk gevoel van herkenning geven:
Dit ken ik.
Maar herkennen is niet hetzelfde als de informatie zelfstandig kunnen terughalen.
Daarmee raakt metacognitie direct aan het geheugen.
We beoordelen voortdurend wat we denken te weten, wat we vergeten zijn en hoe zeker we van een herinnering zijn.
Een bekend voorbeeld is het gevoel dat een woord ‘op het puntje van je tong’ ligt. Je kunt het woord niet oproepen, maar hebt tegelijkertijd het sterke gevoel dat je het wél kent.
4. Is metacognitie hetzelfde als zelfreflectie?
Nee, al bestaat er duidelijke overlap.
Zelfreflectie is breder. Daarbij kan iemand nadenken over eigen gedrag, emoties, keuzes, relaties en ervaringen.
Metacognitie richt zich specifieker op cognitieve processen.
Bij zelfreflectie kan de vraag zijn:
Waarom reageerde ik gisteren zo boos?
Een metacognitieve vraag is eerder:
Hoe kwam ik eigenlijk tot de conclusie dat die persoon mij wilde beledigen?
Metacognitie richt de aandacht daarmee op het proces achter een gedachte of oordeel.
Beide kunnen bijdragen aan zelfkennis, maar vanuit een andere invalshoek.
5. Kunnen we ons eigen denken altijd goed beoordelen?
Nee.
Dat is juist een belangrijk onderdeel van metacognitie.
We kunnen overtuigd zijn dat we iets begrijpen terwijl onze kennis oppervlakkig is. We kunnen bijzonder zeker zijn van een herinnering die niet volledig klopt. En we kunnen denken dat onze conclusie uitsluitend op feiten is gebaseerd terwijl eerdere verwachtingen onze perceptie hebben beïnvloed.
Metacognitie is dus geen innerlijke camera die altijd precies laat zien hoe het denken werkt.
Ook onze beoordeling van het eigen denken kan fouten bevatten.
Daarom kan informatie van buitenaf belangrijk zijn.
Een toets kan bijvoorbeeld laten zien dat iemand minder van een onderwerp begrijpt dan hij dacht. Feedback van een ander kan zichtbaar maken dat een redenering een mogelijkheid over het hoofd ziet.
Goede metacognitie betekent daarom ook dat iemand bereid is het eigen oordeel te corrigeren.
6. Welke rol spelen overtuigingen?
Ook beperkende overtuigingen kunnen onderwerp worden van metacognitie.
Iemand kan bijvoorbeeld automatisch denken:
Ik ben slecht in wiskunde.
Metacognitie voegt daar een tweede niveau aan toe:
Waarom denk ik eigenlijk dat ik slecht ben in wiskunde? Waar baseer ik dat op? Geldt dat voor alles binnen wiskunde?
De oorspronkelijke gedachte wordt dan niet onmiddellijk als feit behandeld, maar als een gedachte die onderzocht kan worden.
Dat betekent niet dat iedere negatieve overtuiging onjuist is.
Misschien heeft iemand werkelijk moeite met bepaalde onderdelen van wiskunde.
Het verschil is dat de overtuiging niet automatisch het eindpunt van het denken vormt.
Er ontstaat ruimte om te onderzoeken wat klopt, wat te absoluut is en wat mogelijk nog geleerd kan worden.
7. Wat heeft metacognitie met het wereldmodel te maken?
Het wereldmodel helpt ons gebeurtenissen te interpreteren en voorspellingen te maken op basis van eerdere ervaringen, kennis en overtuigingen.
Metacognitie maakt het mogelijk om delen van dat model zelf te onderzoeken.
Iemand kan bijvoorbeeld verwachten:
Wanneer iemand niet onmiddellijk antwoordt, heb ik waarschijnlijk iets verkeerd gedaan.
Een metacognitieve stap is:
Hoe ben ik tot die conclusie gekomen? Welke andere verklaringen zijn mogelijk?
Misschien heeft de ander het druk, de boodschap nog niet gelezen of weet diegene nog niet wat hij wil antwoorden.
Daarmee verandert het wereldmodel niet onmiddellijk.
Maar er ontstaan aangrenzende mogelijkheden naast de oorspronkelijke verklaring.
Nieuwe ervaringen kunnen vervolgens duidelijk maken welke verklaring beter aansluit bij de werkelijkheid.
8. Kun je metacognitie ontwikkelen?
Metacognitieve vaardigheden kunnen worden verbeterd.
Vooral bij leren kan iemand bijvoorbeeld bewuster controleren:
- Wat weet ik werkelijk?
- Wat begrijp ik nog niet?
- Welke strategie gebruik ik?
- Werkt deze aanpak?
- Hoe zeker ben ik van mijn antwoord?
- Welke informatie ontbreekt nog?
Ook feedback helpt om de eigen inschattingen nauwkeuriger te maken.
Dat sluit aan bij een groeimindset. Wanneer iemand merkt dat een aanpak niet werkt, hoeft de conclusie niet onmiddellijk te zijn:
Ik kan dit niet.
Een andere mogelijkheid is:
Deze strategie werkt voor mij niet goed. Welke andere strategie kan ik proberen?
Zo kan metacognitie bijdragen aan leren zonder dat het verandert in de overtuiging dat ieder probleem door voldoende nadenken kan worden opgelost.
9. Tenslotte
Metacognitie is het vermogen om bewust te worden van het eigen denken en andere cognitieve processen en deze waar mogelijk te beoordelen en bij te sturen.
We gebruiken metacognitie wanneer we inschatten wat we weten, merken dat onze aandacht afdwaalt, twijfelen aan een herinnering, een andere leerstrategie kiezen of onderzoeken hoe we tot een bepaalde conclusie zijn gekomen.
Daarmee raakt metacognitie aan geheugen, perceptie, zelfreflectie en zelfkennis.
Ook voor persoonlijke groei kan het begrip relevant zijn. Een beperkende overtuiging hoeft niet automatisch als waarheid te worden behandeld. We kunnen onderzoeken waarop zij gebaseerd is, welke informatie ertegen spreekt en welke andere mogelijkheden bestaan.
Metacognitie maakt ons denken niet onfeilbaar. Ook over ons eigen denken kunnen we ons vergissen.
Misschien ligt juist daarin de belangrijkste waarde ervan: niet alleen kunnen denken, maar ook kunnen onderzoeken hoe we denken, hoe zeker we daarvan zijn en wanneer het verstandig is ons denken bij te stellen.
