- 1. Wat is angstleren?
- 2. Hoe leren we angst?
- 3. Angstleren en conditionering
- 4. Verwachtingen spelen een belangrijke rol
- 5. Angst kan generaliseren
- 6. Context bepaalt mede wat we leren
- 7. Van angst naar vermijding
- 8. Veiligheid leren
- 9. Angstleren en het brein
- 10. Wanneer wordt angstleren problematisch?
- 11. Angstleren en het wereldmodel
- 12. Hoe kan aangeleerde angst weer afnemen?
- 13. Tenslotte
Angstleren
Angst is niet alleen een automatische reactie op direct gevaar. Mensen kunnen ook leren dat bepaalde voorwerpen, situaties, lichamelijke gevoelens of andere signalen gevaar voorspellen. Dit proces wordt angstleren genoemd.
Angstleren is in veel situaties nuttig. Wie eenmaal heeft ervaren dat iets gevaarlijk is, hoeft niet telkens opnieuw hetzelfde risico te nemen. Maar aangeleerde angst kan zich ook uitbreiden naar situaties die nauwelijks of niet gevaarlijk zijn. Zo kan een oorspronkelijk beschermend leerproces uiteindelijk bijdragen aan aanhoudende angst en vermijding.
1. Wat is angstleren?
Angstleren, internationaal meestal fear learning genoemd, is het proces waarbij iemand leert welke signalen samenhangen met dreiging of gevaar.
Het gaat daarbij niet alleen om bewust denken: dit is gevaarlijk. Ook aandacht, verwachtingen, lichamelijke reacties, emoties, geheugen en gedrag kunnen door eerdere ervaringen veranderen.
Een eenvoudig voorbeeld is een hondenbeet. Na zo'n ervaring kan iemand niet alleen bang worden voor de hond die heeft gebeten, maar ook alerter reageren op andere honden.
Er is dan iets geleerd:
hond → mogelijk gevaar
De volgende ontmoeting wordt mede geïnterpreteerd vanuit die eerdere ervaring.
Angstleren is daarmee in de eerste plaats een normaal aanpassingsmechanisme. Problemen kunnen ontstaan wanneer dreiging wordt verwacht in situaties waarin het werkelijke gevaar gering of afwezig is.
2. Hoe leren we angst?
Angst kan via verschillende routes worden geleerd.
A - Directe ervaring
De duidelijkste route is zelf iets onaangenaams of bedreigends meemaken.
Iemand krijgt bijvoorbeeld een paniekaanval in een volle trein. De trein, drukte of lichamelijke sensaties van de paniekaanval kunnen daarna met gevaar worden verbonden.
B - Leren door observatie
Mensen kunnen ook leren door anderen te observeren.
Een kind hoeft bijvoorbeeld niet zelf door een hond te zijn gebeten om te leren dat honden gevaarlijk kunnen zijn. Het zien van een sterke angstreactie bij een ouder kan informatie geven over hoe een situatie moet worden geïnterpreteerd.
Dit wordt observationeel of sociaal angstleren genoemd.
C - Leren door informatie
Ook woorden kunnen verwachtingen over gevaar veranderen.
Waarschuwingen, verhalen, nieuwsberichten en instructies kunnen ervoor zorgen dat iemand een situatie als bedreigend gaat beschouwen zonder het gevaar zelf te hebben meegemaakt.
Bij mensen is angstleren daardoor sterk verbonden met taal en sociale informatie.
3. Angstleren en conditionering
Een groot deel van onze wetenschappelijke kennis over angstleren komt uit onderzoek naar klassieke conditionering.
Daarbij wordt een aanvankelijk neutrale prikkel gekoppeld aan iets onaangenaams.
Een experimenteel voorbeeld:
gekleurde afbeelding → elektrische prikkel
Wanneer die koppeling verschillende keren wordt ervaren, kan uiteindelijk alleen de afbeelding al een reactie oproepen.
Binnen conditioneringsonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen:
- CS+ – een signaal dat met een onaangename uitkomst wordt geassocieerd;
- US – de onaangename of aversieve gebeurtenis zelf;
- CR – de aangeleerde reactie op het signaal;
- CS- – vaak een vergelijkbare prikkel die de onaangename gebeurtenis juist niet voorspelt.
Het leren onderscheiden van gevaar en veiligheid is daarbij minstens zo belangrijk als het leren herkennen van gevaar.
Conditionering is echter niet hetzelfde als het volledige begrip angstleren. Menselijk angstleren omvat ook observatie, taal, verwachtingen, context en andere leerprocessen.
4. Verwachtingen spelen een belangrijke rol
Angstleren draait voor een belangrijk deel om voorspellen.
Wat gaat er gebeuren?
Wanneer een hond eerder heeft gebeten, kan het zien van een nieuwe hond de verwachting oproepen dat opnieuw iets onaangenaams gaat gebeuren.
Het brein gebruikt eerdere ervaringen voortdurend om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen.
Wanneer verwachting en werkelijkheid verschillen
Juist het verschil tussen een voorspelling en wat werkelijk gebeurt kan nieuwe informatie opleveren.
Iemand verwacht bijvoorbeeld:
hond → aanval
maar ervaart:
hond → geen aanval
Zo'n verschil tussen verwachting en uitkomst wordt binnen leertheorieën vaak aangeduid als een prediction error.
Dit principe is belangrijk omdat leren niet alleen plaatsvindt wanneer verwachtingen worden bevestigd. Juist onverwachte gebeurtenissen kunnen aanleiding geven om bestaande verwachtingen aan te passen.
5. Angst kan generaliseren
Een belangrijke eigenschap van angstleren is generalisatie.
Wanneer iemand door een grote zwarte hond is gebeten, zou het weinig praktisch zijn wanneer alleen precies die ene hond voortaan als gevaarlijk wordt herkend.
Het geleerde kan daarom worden uitgebreid naar vergelijkbare situaties:
deze hond → zwarte honden → grote honden → honden
Tot op zekere hoogte is dit nuttig.
Het probleem ontstaat wanneer generalisatie te breed wordt:
hond → alle dieren → parken → buiten zijn
Een steeds groter aantal relatief veilige situaties kan dan angst oproepen.
Onderzoek naar angstgerelateerde stoornissen laat zien dat juist een bredere generalisatie van aangeleerde dreiging een relevant onderzoeksgebied is.
6. Context bepaalt mede wat we leren
Angst wordt niet los van de omgeving geleerd.
Dezelfde prikkel kan in de ene situatie gevaarlijk zijn en in een andere volkomen veilig.
Denk bijvoorbeeld aan vuur:
vuur in een open haard → meestal veilig
vuur uit een stopcontact → mogelijk gevaar
Daarom leren we niet alleen wat gevaarlijk kan zijn, maar ook:
- waar iets gebeurt;
- wanneer het gebeurt;
- wie aanwezig is;
- welke omstandigheden gelden;
- welke andere signalen aanwezig zijn.
De context helpt bepalen welke eerdere kennis in een bepaalde situatie relevant is.
Daarbij speelt het geheugen een belangrijke rol. Nieuwe situaties worden voortdurend geïnterpreteerd tegen de achtergrond van eerdere ervaringen.
7. Van angst naar vermijding
Aangeleerde angst kan gedrag veranderen.
Wanneer iemand verwacht dat een situatie gevaarlijk is, ligt vermijding voor de hand.
Iemand die tijdens een treinreis een paniekaanval heeft gehad, kan bijvoorbeeld besluiten voorlopig niet meer met de trein te reizen.
Dat heeft een onmiddellijk effect:
trein vermijden → angst neemt af
Juist die afname van angst kan vermijding versterken.
De persoon leert als het ware:
Door niet in de trein te stappen voorkom ik gevaar en voel ik mij beter.
Waarom vermijding angst kan onderhouden
Het probleem is dat vermijding tegelijkertijd nieuwe ervaringen verhindert.
Wie nooit meer in een trein stapt, krijgt nauwelijks gelegenheid om te ontdekken:
Misschien kan ik ook met de trein reizen zonder dat het gevreesde gebeurt.
Daardoor kunnen angstleren en vermijdingsleren elkaar versterken.
Dit is een belangrijk mechanisme binnen verschillende psychologische verklaringen van aanhoudende angst.
8. Veiligheid leren
Angstleren heeft een belangrijke tegenhanger: veiligheidsleren.
Een mens moet niet alleen kunnen leren:
dit voorspelt gevaar
maar ook:
dit voorspelt veiligheid
In experimenteel onderzoek wordt daarom vaak gekeken of iemand onderscheid kan maken tussen dreigingssignalen en veiligheidssignalen.
Dat onderscheid is belangrijk. Wanneer iemand vrijwel iedere onzekere situatie als potentieel gevaarlijk behandelt, kan het alarmsysteem steeds vaker worden geactiveerd.
Goed aangepast leren vraagt daarom om differentiatie:
- Wanneer is waakzaamheid nodig?
- Wanneer niet?
- Welke signalen voorspellen werkelijk gevaar?
- Welke signalen wijzen juist op veiligheid?
Angst verminderen betekent vanuit dit perspectief niet simpelweg minder gevoelig worden voor gevaar. Het gaat ook om steeds nauwkeuriger leren wanneer gevaar waarschijnlijk is en wanneer niet.
9. Angstleren en het brein
Angstleren ontstaat niet in één enkel hersengebied.
Onderzoek wijst op samenwerking tussen verschillende hersengebieden en neurale netwerken. Daarbij krijgen onder andere de amygdala, hippocampus en delen van de prefrontale cortex veel aandacht.
De amygdala is niet simpelweg het angstcentrum
De amygdala wordt populair vaak het 'angstcentrum' genoemd. Dat is te eenvoudig.
De amygdala bestaat uit verschillende kernen en maakt deel uit van bredere netwerken die betrokken zijn bij onder meer het leren over biologisch relevante gebeurtenissen en het organiseren van reacties op dreiging.
De hippocampus is onder andere belangrijk voor geheugen en context. Prefrontale gebieden spelen verschillende rollen bij verwachting, beoordeling, regulatie en het gebruik van eerder geleerde informatie.
Angstleren is daarom beter te begrijpen als een netwerkproces waarin perceptie, geheugen, verwachting, emotie en gedrag samenkomen.
10. Wanneer wordt angstleren problematisch?
Angstleren is noodzakelijk om te overleven.
Niet ieder aangeleerd angstpatroon is daarom een probleem.
Het wordt vooral relevant wanneer het geleerde gevaar niet meer goed aansluit bij de werkelijke situatie.
Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer:
- angst zeer sterk blijft nadat het gevaar verdwenen is;
- angst zich steeds verder generaliseert;
- veilige situaties moeilijk van gevaarlijke situaties worden onderscheiden;
- vermijding steeds meer activiteiten onmogelijk maakt;
- verwachtingen van gevaar nauwelijks door nieuwe ervaringen veranderen;
- angst veel lijdensdruk veroorzaakt.
Bij verschillende angstgerelateerde problemen worden afwijkingen in dreigingsleren, generalisatie, veiligheidsleren, vermijding en het verminderen van aangeleerde angst onderzocht.
Dat betekent niet dat alle angststoornissen eenvoudig het gevolg zijn van verkeerd angstleren. Biologische kwetsbaarheid, ontwikkeling, sociale omstandigheden, cognities, stress en andere processen kunnen eveneens bijdragen.
11. Angstleren en het wereldmodel
Angstleren kan ook worden bekeken vanuit het wereldmodel waarmee iemand gebeurtenissen interpreteert.
Stel dat iemand verschillende negatieve sociale ervaringen heeft gehad.
Daaruit kunnen verwachtingen ontstaan zoals:
als ik iets zeg → word ik afgewezen
of:
als ik een fout maak → vinden anderen mij incompetent
Nieuwe sociale situaties beginnen dan niet helemaal vanaf nul. Eerdere ervaringen beïnvloeden wat iemand verwacht, waar de aandacht naartoe gaat en welke signalen als belangrijk worden geïnterpreteerd.
Hier kunnen ook beperkende overtuigingen ontstaan.
Tegelijkertijd is een wereldmodel niet onveranderlijk. Nieuwe ervaringen kunnen aangrenzende mogelijkheden zichtbaar maken en bestaande voorspellingen bijstellen.
Een verwachting als:
dit gaat altijd verkeerd
kan door voldoende verschillende ervaringen genuanceerder worden:
dit kan verkeerd gaan, maar dat hoeft niet.
Daarmee verandert niet noodzakelijk het verleden. Wel verandert wat iemand op basis van dat verleden voor de toekomst verwacht.
12. Hoe kan aangeleerde angst weer afnemen?
Aangeleerde angst hoeft niet permanent te blijven bestaan.
Wanneer een eerder bedreigende prikkel herhaaldelijk wordt ervaren zonder dat de verwachte negatieve uitkomst volgt, kan nieuw leren plaatsvinden.
Dit proces staat centraal bij fear extinction.
Daarbij is een belangrijk onderscheid:
Angstleren:
Deze situatie voorspelt gevaar.
Fear extinction:
Ik ervaar nu dat het voorspelde gevaar niet optreedt.
De oorspronkelijke angstassociatie wordt daarbij waarschijnlijk niet simpelweg gewist. Er ontstaat nieuwe kennis die met eerdere leerervaringen kan concurreren.
Dat helpt verklaren waarom een angst die grotendeels verdwenen is later soms opnieuw kan verschijnen.
Ook exposuretherapie maakt gebruik van leerprincipes waarbij iemand nieuwe ervaringen kan opdoen met eerder gevreesde situaties. Fear extinction vormt daarbij een belangrijk experimenteel model, maar een volledige psychologische behandeling omvat meer dan alleen laboratoriumprincipes van extinctieleren.
13. Tenslotte
Angstleren is een fundamenteel vermogen waarmee mensen leren voorspellen waar gevaar kan optreden. We leren uit eigen ervaringen, maar ook door anderen te observeren en door informatie die we ontvangen.
Dat vermogen beschermt ons.
Hetzelfde leervermogen kan echter problematisch worden wanneer angst zich te breed generaliseert, veilige situaties moeilijk worden herkend of vermijding voorkomt dat verwachtingen opnieuw aan de werkelijkheid worden getoetst.
Angstleren laat daarmee zien dat angst niet alleen gaat over wat iemand voelt, maar ook over wat iemand heeft geleerd te verwachten.
Nieuwe ervaringen kunnen die verwachtingen vervolgens opnieuw veranderen. Niet noodzakelijk door oude ervaringen uit te wissen, maar door nieuwe kennis aan het bestaande wereldmodel toe te voegen.