Onderzoek naar nachtmerries: Wat laten onderzoeken wereldwijd zien?

Nachtmerries zijn waarschijnlijk zo oud als de mens zelf, maar wetenschappelijk onderzoek naar nachtmerries is verrassend jong. Pas toen onderzoekers slaap in het laboratorium konden meten en mensen tijdens verschillende slaapfasen konden wekken, werd het mogelijk om de nachtelijke ervaring systematisch te verbinden met hersenactiviteit, slaapstadia, emoties en herinneringen.

Inmiddels wordt er wereldwijd onderzoek gedaan naar nachtmerries: bij kinderen en volwassenen, bij mensen zonder psychische problemen, bij mensen met PTSS, in slaaplaboratoria, met droomdagboeken en in grote bevolkingsonderzoeken.

Dat onderzoek heeft veel duidelijk gemaakt, maar lang niet alles. We weten bijvoorbeeld dat nachtmerries samenhangen met slaap, stress, emoties, trauma en mentale gezondheid. We weten ook dat frequente nachtmerries behandelbaar kunnen zijn.

Tegelijk weten we nog steeds niet waarom precies de ene droom verandert in een nachtmerrie en een andere niet, waarom twee mensen na dezelfde ingrijpende gebeurtenis heel verschillend dromen, of nachtmerries zelf een biologische functie hebben.

Juist dat verschil tussen wat behoorlijk goed is aangetoond, wat onderzoek suggereert en wat nog openligt, vormt de rode draad door het moderne onderzoek naar nachtmerries.

1- Hoe onderzoeken wetenschappers eigenlijk een nachtmerrie?

Het wetenschappelijk bestuderen van nachtmerries valt binnen het bredere droomonderzoek. De wetenschappelijke studie van dromen wordt ook wel oneirologie genoemd. Daarin komen onder andere psychologie, neurowetenschap, slaapgeneeskunde en psychiatrie samen.

Een fundamenteel probleem is meteen duidelijk: een onderzoeker kan een droom niet rechtstreeks bekijken.

Wanneer iemand in een slaaplaboratorium ligt, kunnen onderzoekers wel allerlei processen meten:

➜ hersenactiviteit;
oogbewegingen;
➜ spierspanning;
➜ ademhaling;
➜ hartslag;
➜ het slaapstadium waarin iemand zich bevindt.

Maar daarmee zien ze niet rechtstreeks dat iemand op dat moment droomt dat hij door een onbekende stad wordt achtervolgd.

Daarvoor blijft het verslag van de dromer nodig.

A- De nachtmerrie komt via de herinnering bij de onderzoeker

Dat maakt droomherinnering een belangrijk onderzoeksprobleem. Wat iemand vertelt nadat hij wakker wordt, is niet noodzakelijk een perfecte opname van wat tijdens de droom werd beleefd.

Sommige mensen herinneren zich uitgebreide verhalen. Anderen herinneren zich alleen één beeld of het gevoel dat ze ontzettend bang waren.

Daarom gebruiken onderzoekers onder andere interviews, vragenlijsten en een droomdagboek. Wanneer een droom kort na het ontwaken wordt opgeschreven, is de kans kleiner dat delen alweer zijn verdwenen of later worden ingevuld door te herinneren. Dat laatste is minder betrouwbaar.

B- Meten wetenschappers de nachtmerrie of het verhaal erover?

Eigenlijk beide, maar nooit volledig.

Slaaponderzoek kan de biologische toestand rondom een nachtmerrie onderzoeken. Droomverslagen geven informatie over de subjectieve ervaring. Inhoudsanalyse kan daarna patronen zoeken in de droominhoud.

Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld bekijken hoe vaak bepaalde thema’s voorkomen:

◆ achtervolging;
◆ lichamelijke dreiging;
◆ verlies;
◆ conflicten;
◆ schaamte;
◆ machteloosheid;
◆ ongelukken.

Juist de combinatie van lichamelijke metingen en persoonlijke verslagen heeft het onderzoek vooruitgebracht.

Maar hier ontstaat meteen een tweede probleem. Wanneer verschillende onderzoekers niet precies hetzelfde bedoelen met het woord nachtmerrie, kunnen hun uitkomsten moeilijk met elkaar worden vergeleken. 

Voor we dus naar wereldwijde cijfers kijken, moeten we eerst begrijpen waarom die cijfers zo sterk van elkaar kunnen verschillen.

2- Waarom verschillen cijfers over nachtmerries zo sterk?

Wie wetenschappelijke onderzoeken naast elkaar legt, ontdekt al snel dat de percentages behoorlijk uiteenlopen. Dat betekent niet automatisch dat sommige onderzoeken slecht zijn uitgevoerd.

Onderzoekers kunnen simpelweg verschillende dingen meten.

◇ Sommige studies vragen of iemand ooit een nachtmerrie heeft gehad.
◇ Andere kijken alleen naar de afgelopen week of maand.
◇ Sommige tellen één nachtmerrie per maand al mee.
◇ Andere onderzoeken alleen mensen die minstens wekelijks nachtmerries hebben.
◇ De ene studie gebruikt een vragenlijst, de andere een droomdagboek of interview.

Daarnaast verschilt de definitie.

In traditioneel slaaponderzoek wordt vaak onderscheid gemaakt tussen nare dromen en nachtmerries. Een nare droom kan sterk onaangenaam zijn zonder de slaper wakker te maken. Bij een nachtmerrie wordt ontwaken vaker als onderscheidend kenmerk gebruikt.

Maar niet iedere onderzoeker hanteert die grens precies hetzelfde.

Nog weer iets anders is een nachtmerriestoornis. Daarbij gaat het niet simpelweg om af en toe een nachtmerrie. De negatieve dromen keren terug en veroorzaken zoveel lijdensdruk, slaapverstoring of problemen overdag dat de stoornis een zelfstandig gezondheidsprobleem is geworden.

Wie deze begrippen op één hoop gooit, krijgt vanzelf verschillende cijfers.

Dat is een belangrijke les uit wetenschappelijk onderzoek: voordat je twee percentages vergelijkt, moet je eerst vragen of onderzoekers wel hetzelfde hebben gemeten. Wanneer die verschillen zoveel mogelijk worden beperkt, ontstaat een betrouwbaarder beeld van hoe vaak nachtmerries werkelijk voorkomen — en juist daar worden internationale onderzoeken interessant.

3- Hoe vaak komen nachtmerries wereldwijd voor?

In 2026 verscheen een internationaal onderzoek van Courtney Bolstad en collega’s. Zij onderzochten 15.854 volwassenen uit zestien landen met dezelfde vragenlijst. Daardoor konden landen beter worden vergeleken dan wanneer ieder land zijn eigen definities en meetmethoden gebruikt.

De deelnemers waren tussen 18 en 99 jaar oud. In 2021 meldde 11 procent minstens wekelijks nachtmerries. Voor 2019 rapporteerden deelnemers achteraf 6,9 procent.

Die stijging lijkt opvallend, omdat de metingen over 2021 tijdens de coronaperiode plaatsvonden. Toch mogen we daar niet eenvoudig van maken: de pandemie veroorzaakte meer nachtmerries. Het cijfer voor 2019 werd namelijk achteraf gevraagd en andere veranderingen kunnen eveneens een rol hebben gespeeld.

Wel laat het onderzoek iets anders duidelijk zien: frequente nachtmerries vormen internationaal geen uitzonderlijk randverschijnsel.

Eén wereldwijd percentage bestaat eigenlijk niet

Eerder onderzoek leverde vaak lagere percentages op. Een groot Fins bevolkingsonderzoek van Sandman en collega’s omvatte bijna 70.000 volwassenen die tussen 1972 en 2007 waren onderzocht.

Over de gehele onderzoeksgroep meldde 3,5 procent van de mannen en 4,8 procent van de vrouwen frequente nachtmerries.

Dat ligt aanzienlijk lager dan de 11 procent uit het internationale onderzoek van 2021.

De belangrijkste redenen waarom zulke cijfers niet zomaar naast elkaar gelegd kunnen worden zijn:

✓ andere bevolkingsgroepen;
✓ andere historische perioden;
✓ andere vragen;
✓ verschillende definities;
✓ veranderende maatschappelijke omstandigheden.

Een betere conclusie is daarom dat incidentele nachtmerries vrij algemeen voorkomen, terwijl frequente nachtmerries een kleiner maar nog steeds aanzienlijk deel van de bevolking treffen.

Die wereldwijde cijfers vertellen echter vooral iets over volwassenen. Bij kinderen verandert het onderzoeksprobleem, omdat leeftijd, ontwikkeling en zelfs de vraag wie over de droom rapporteert invloed hebben op de uitkomst.

4- Wat weten we uit onderzoek bij kinderen?

Bij kinderdromen ontstaat een extra probleem: soms vertelt het kind zelf over zijn dromen en soms doet een ouder dat.

Die twee rapportages leveren niet altijd dezelfde cijfers op.

Een systematisch overzicht uit 2023 bracht 69 onderzoeken uit 23 landen samen. Bij kinderen uit algemene ontwikkelingsgroepen rapporteerde ongeveer 1 tot 11 procent een nachtmerrie in de voorafgaande week.

Wanneer naar de voorafgaande maand werd gevraagd, liep dat op tot ongeveer 25 tot 35 procent. Voor een nachtmerriestoornis lagen de gevonden percentages rond 3 tot 6 procent.

Bij kinderen uit psychiatrische groepen werden gemiddeld hogere cijfers gevonden.

Leeftijd verandert ook de droomwereld

Nachtmerries veranderen tijdens de ontwikkeling. Kinderen leren geleidelijk beter onderscheid maken tussen verbeelding en werkelijkheid, hun sociale wereld wordt ingewikkelder en ook hun angsten veranderen.

✦ Een jong kind kan dromen over een monster onder het bed.
✦ Een ouder kind kan dromen over buitengesloten worden.
✦ Een tiener kan dromen over falen, verlies of sociale afwijzing.

Dat betekent niet dat een specifieke droom automatisch onthult wat er psychologisch met een kind aan de hand is.

Een droom over school bewijst geen faalangst. Een droom over buitensluiting bewijst niet dat een kind wordt gepest.

Maar grote groepen dromen kunnen wel patronen laten zien die samenhangen met leeftijd, ontwikkeling en levensomstandigheden.

Leeftijd is dus één factor die onderzoeksresultaten beïnvloedt. Maar mensen verschillen niet alleen in leeftijd. Ze groeien ook op binnen verschillende talen, culturen en ideeën over wat een droom of nachtmerrie eigenlijk is. Daardoor wordt de vraag hoe ‘wereldwijd’ ons wereldwijde onderzoek werkelijk is minstens zo belangrijk.

5- Hoe wereldwijd is ‘wereldwijd onderzoek’ eigenlijk?

Dat er onderzoeken uit zestien of drieëntwintig landen bestaan, betekent nog niet dat de hele wereld even goed is onderzocht.

Een groot deel van het moderne slaap-, psychiatrie- en behandelonderzoek komt uit Noord-Amerika en Europa. Ook Australië en delen van Azië zijn redelijk vertegenwoordigd, maar uit andere regio’s zijn veel minder gegevens beschikbaar.

Dat is belangrijk.

Een nachtmerrie is een menselijke ervaring, maar de manier waarop mensen erover spreken wordt mede beïnvloed door taal en cultuur.

■ In de ene omgeving wordt een droom vooral psychologisch beschreven.
■ Elders wordt dezelfde ervaring religieus of spiritueel geïnterpreteerd.
■ Woorden voor droom, nachtmerrie of nachtelijke angst hebben niet in iedere taal precies dezelfde gevoelswaarde.
■ Ook de bereidheid om over nachtmerries te praten kan cultureel verschillen.

Internationale onderzoeken proberen zulke verschillen te verkleinen door dezelfde meetinstrumenten te gebruiken.

Dat helpt, maar lost niet alles op.

Crosscultureel onderzoek zou daarom niet alleen moeten vragen hoe vaak nachtmerries voorkomen, maar ook welke beelden en emoties worden genoemd, wanneer mensen hulp zoeken en welke betekenis zij aan een nachtmerrie geven.

Onder al die culturele verschillen ligt echter één biologische voorwaarde die mensen overal delen: om te kunnen dromen moeten we slapen. Daarmee verschuift het onderzoek van bevolking en cultuur naar het lichaam zelf. In welke fase van de slaap ontstaan nachtmerries eigenlijk?

6- Gebeuren nachtmerries vooral tijdens REM-slaap?

Nachtmerries worden sterk verbonden met REM-slaap. Dat is begrijpelijk. Wanneer mensen vanuit REM-slaap worden gewekt, rapporteren ze relatief vaak levendige, uitgebreide en emotionele dromen.

REM betekent Rapid Eye Movement. Tijdens deze slaapfase komen perioden met snelle oogbewegingen voor, terwijl de spierspanning sterk verminderd is en de hersenactiviteit op verschillende manieren afwijkt van diepe slaap.

Maar de bekende formule:

REM-slaap = dromen

is te eenvoudig.

Modern onderzoek naar dromen en slaapfasen laat zien dat droomervaringen ook tijdens NREM-slaap kunnen voorkomen.

Een nacht bestaat uit verschillende slaaptoestanden

Tijdens het slapen blijven de hersenen niet urenlang in dezelfde toestand. NREM- en REM-slaap wisselen elkaar af binnen een slaapcyclus.

Het grotere patroon daarvan wordt slaaparchitectuur genoemd.

Een nacht verloopt grofweg door verschillende toestanden:

→ lichte NREM-slaap;
→ diepere NREM-slaap;
→ diepe slaap;
→ REM-slaap.

Die cyclus herhaalt zich meerdere keren.

Vroeg in de nacht komt relatief veel diepe NREM-slaap voor. Naarmate de nacht vordert, worden REM-perioden gemiddeld langer. Dat kan mede verklaren waarom levendige dromen en nachtmerries vaak tegen de ochtend worden herinnerd.

Er speelt nog iets mee: wakker worden helpt een droom beschikbaar te houden voor het geheugen. Wanneer iemand na een droom zonder duidelijke ontwaking verder slaapt, kan de droom alweer verdwenen zijn voordat de ochtend begint.

De slaapfase vertelt ons daarmee iets over de omstandigheden waarin een nachtmerrie kan ontstaan, maar nog niet hoe zo’n overtuigende en emotioneel intense ervaring wordt opgebouwd. Daarvoor moeten we een niveau dieper kijken: naar wat de hersenen tijdens het dromen doen.

7- Wat gebeurt er in de hersenen tijdens een nachtmerrie?

Hier wordt wetenschappelijk onderzoek snel ingewikkeld, omdat er geen enkel ‘nachtmerriegebied’ in de hersenen bestaat.

Dromen ontstaan binnen een voortdurend veranderend netwerk van hersenprocessen. Systemen die betrokken zijn bij waarneming, geheugen, emoties en interne beelden kunnen actief zijn terwijl de verbinding met de buitenwereld sterk is verminderd.

Tijdens REM-slaap zijn verschillende hersensystemen die betrokken zijn bij emotionele verwerking relatief actief. Tegelijk functioneren sommige gebieden die tijdens het waken belangrijk zijn voor planning, controle en kritische beoordeling anders.

Dat helpt begrijpen waarom iets volkomen onlogisch tijdens een droom toch vanzelfsprekend kan lijken.

❖ Een tijger staat ineens in je woonkamer.
❖ De deur verandert in een muur.
❖ Je probeert te rennen maar komt nauwelijks vooruit.
❖ Een bekende persoon verandert zonder reden van gezicht.

Tijdens de droom denk je meestal niet: dit scenario houdt biologisch en logisch geen steek.

Een hersenscan vertelt niet wat jouw monster betekent

Neurowetenschap kan steeds beter onderzoeken welke hersenprocessen samenhangen met dromen en emoties.

Daarmee kunnen onderzoekers echter niet uit een hersenscan aflezen dat een bepaald monster jouw baas symboliseert of dat een achtervolging betekent dat je ergens voor wegloopt.

Daarvoor is droominhoud te persoonlijk en te complex.

Hersenactiviteit kan samenhangen met de mogelijkheid om te dromen, terwijl de inhoud van een specifieke droom wordt opgebouwd uit een veel grotere combinatie van herinneringen, emoties, verwachtingen, waarnemingen en associaties.

De hersenen leveren dus het biologische systeem waarin een nachtmerrie kan ontstaan, maar daarmee weten we nog niet waar de personen, plaatsen en gebeurtenissen uit die droom vandaan komen. Een belangrijk deel van dat materiaal lijkt uit ons geheugen te worden gehaald.

8- Wat heeft geheugen met nachtmerries te maken?

Dromen bevatten opvallend veel materiaal dat ergens uit ons leven afkomstig lijkt te zijn.

Bekende mensen, vroegere woningen, werk, school, verlies, conflicten en recente gebeurtenissen kunnen allemaal terugkeren.

Toch worden herinneringen meestal niet afgespeeld als een film.

Bij geheugen en dromen zien we juist dat verschillende geheugenelementen kunnen worden gecombineerd.

Je huidige collega kan in het huis van je jeugd staan terwijl jullie praten over iets wat gisteren gebeurde.

Tijdens slaap vinden processen plaats die samenhangen met geheugen en slaap. Nieuwe informatie kan worden gestabiliseerd, bestaande geheugennetwerken kunnen opnieuw worden geactiveerd en herinneringen kunnen nieuwe verbindingen aangaan.

Maar hier wordt regelmatig een te grote stap gezet.

▸ Slaap speelt een rol bij geheugenverwerking.
▸ Dromen kunnen herinneringen bevatten.
▸ Dat bewijst niet dat we dromen om herinneringen te verwerken.
▸ Het bewijst ook niet dat een nachtmerrie verschijnt omdat een bepaalde herinnering verwerkt moet worden.

Of de bewuste droomervaring zelf noodzakelijk is voor geheugenverwerking blijft een open wetenschappelijke vraag.

Herinneringen leveren dus waarschijnlijk veel van de bouwstenen, maar ze verklaren nog niet waarom het ene droombeeld nauwelijks iets met ons doet en het andere ons met een bonzend hart wakker maakt. Om dat verschil beter te begrijpen, moeten we naast geheugen ook naar emotie kijken.

9- Welke emoties komen werkelijk voor in nachtmerries?

Angst is de bekendste emotie in nachtmerries, maar onderzoek naar emoties en dromen heeft laten zien dat het beeld breder is.

Een bekend onderzoek van Geneviève Robert en Antonio Zadra analyseerde duizenden droomverslagen. Daaruit werden 253 nachtmerries en 431 nare dromen uitgebreid onderzocht.

Bij nachtmerries kwam lichamelijke agressie relatief vaak voor. Bij nare dromen waren interpersoonlijke conflicten juist opvallend belangrijk.

Nog interessanter: angst was lang niet altijd de belangrijkste emotie.

In ongeveer 35 procent van de onderzochte nachtmerries en 55 procent van de nare dromen stond een andere emotie op de voorgrond.

Dat kunnen bijvoorbeeld zijn:

● verdriet;
● boosheid;
● schaamte;
● schuld;
● walging;
● frustratie.

Een nachtmerrie hoeft dus niet noodzakelijk een horrorverhaal te zijn.

Iemand kan dromen dat zijn partner hem verlaat, dat een overleden persoon opnieuw sterft, dat hij publiekelijk wordt vernederd of dat hij iemand niet kan redden.

De emotionele impact kan enorm zijn zonder bovennatuurlijke dreiging.

Onderzoek naar emoties en slaap laat tegelijkertijd zien dat slaap en emotioneel functioneren elkaar beïnvloeden.

Wanneer onderzoekers dromen naast dagelijkse ervaringen leggen, wordt zichtbaar dat de grens tussen het wakende leven en de droomwereld minder hard is dan ze op het eerste gezicht lijkt.

10- Hoeveel van ons dagelijks leven komt terug in nachtmerries?

Een invloedrijk idee binnen het moderne droomonderzoek is de continuity hypothesis, of continuïteitshypothese.

De kern is eenvoudig: er bestaat samenhang tussen het wakende leven en dromen.

Mensen, zorgen, activiteiten, relaties en emoties die overdag belangrijk zijn, kunnen 's nachts terugkomen.

Dat hoeft niet letterlijk te gebeuren.

➤ Een conflict op het werk kan veranderen in een droom waarin niemand naar je luistert.
➤ Onzekerheid over een examen kan verschijnen als een droom waarin je steeds te laat komt.
➤ Verdriet kan terechtkomen in een volledig fictief verhaal over verlies.
➤ Een gevoel van controleverlies kan verschijnen als een droom waarin remmen niet werken.

Dromen lijken dus materiaal uit het wakende leven te gebruiken en daar iets nieuws mee te doen.

Stress is een goed voorbeeld van die continuïteit

Onderzoek naar stress en slaap laat zien dat de relatie twee kanten op kan werken.

Stress kan de slaap verstoren. Verstoorde slaap kan vervolgens veranderen hoe iemand de volgende dag op stress reageert.

Nachtmerries kunnen onderdeel van die wisselwerking worden.

Een systematisch onderzoek uit 2024 dat 67 studies samenbracht, vond in uiteenlopende groepen een duidelijke samenhang tussen slapeloosheid en nachtmerries.

Dat betekent niet dat slapeloosheid automatisch nachtmerries veroorzaakt of andersom.

Wel kan een patroon ontstaan waarin slechte slaap, emotionele belasting en nachtmerries elkaar beïnvloeden.

Daarom is slaapkwaliteit relevant. Iemand kan acht uur in bed liggen en toch ervaren dat de nacht nauwelijks herstellend was wanneer hij meerdere keren angstig wakker werd.

Bij gewone stress kan de verbinding tussen dagelijks leven en droomwereld subtiel blijven. Na een zeer ingrijpende gebeurtenis kan die relatie veel sterker naar voren komen. Daarom vormt trauma een afzonderlijk en belangrijk onderzoeksgebied binnen het wetenschappelijke onderzoek naar nachtmerries.

11- Wat heeft trauma met nachtmerries te maken?

Een van de duidelijkste onderzoeksgebieden betreft de relatie tussen trauma en PTSS.

Na een traumatische gebeurtenis kunnen nachtmerries elementen van die gebeurtenis bevatten. Soms is de overeenkomst direct: iemand droomt opnieuw over zijn ongeluk, haar aanval of de oorlogssituatie.

Maar traumagerelateerde nachtmerries hoeven geen letterlijke herhaling te zijn.

Een studie of klinische beschrijving kan bijvoorbeeld laten zien dat de gebeurtenissen verschillen, terwijl dezelfde kernervaring terugkomt: dreiging, machteloosheid, opgesloten zijn of controleverlies.

Hier zijn drie grenzen belangrijk:

✧ een nachtmerrie bewijst geen trauma;
✧ een terugkerende droom bewijst geen onderdrukte herinnering;
✧ een symbolische overeenkomst bewijst niet dat een gebeurtenis werkelijk heeft plaatsgevonden.

Dat maakt droominhoud ongeschikt om achteraf vast te stellen wat iemand heeft meegemaakt.

Oorlog laat zien hoe lang de invloed kan duren

Het grote Finse bevolkingsonderzoek van Sandman en collega’s is hier interessant.

Mensen met oorlogservaringen rapporteerden tientallen jaren later vaker nachtmerries en ook vaker klachten rond slapeloosheid, angst en depressie dan mensen zonder dergelijke ervaringen.

Dat laat zien dat ingrijpende ervaringen zeer langdurig kunnen samenhangen met nachtelijke klachten.

Maar ook daar geldt: niet iedere oorlogsveteraan had nachtmerries en niet iedere persoon met nachtmerries had een oorlogstrauma.

Juist dat verschil is belangrijk. Waarom ontwikkelt de ene persoon na een ingrijpende gebeurtenis langdurige nachtmerries en een ander niet? Om daar dichter bij te komen, moeten onderzoekers nachtmerries niet alleen aan trauma koppelen, maar aan het bredere gebied van mentale gezondheid.

12- Zijn nachtmerries een psychisch probleem?

Niet op zichzelf.

Vrijwel iedereen kan incidenteel een nachtmerrie hebben. Pas wanneer nachtmerries vaak terugkomen, veel druk geven of het functioneren beïnvloeden, kan de klinische betekenis veranderen.

Onderzoek naar slaap en mentale gezondheid laat zien dat slaap en psychisch functioneren sterk met elkaar verweven zijn.

Nachtmerries komen relatief vaak voor bij onder andere PTSS, depressie en angstproblemen. Reviews van Faccini en Del-Monte en van Sheaves, Rek en Freeman laten zien dat nachtmerries in psychiatrische groepen duidelijk vaker voorkomen en dat ze kunnen samenhangen met latere of ernstigere klachten.

Dat is belangrijk, maar het woord samenhangen is hier cruciaal.

Samenhang is nog geen oorzaak

Stel dat mensen met depressieve klachten vaker nachtmerries hebben.

Dan zijn verschillende verklaringen mogelijk:

◆ psychische klachten beïnvloeden slaap en droominhoud;
◆ terugkerende nachtmerries verstoren de slaap en kunnen bestaande problemen verzwaren;
◆ dezelfde onderliggende factoren beïnvloeden zowel nachtmerries als psychische klachten;
◆ de richting van het verband verschilt mogelijk per persoon.

Dat is waarom longitudinaal onderzoek zo belangrijk is. Daarbij worden mensen langere tijd gevolgd om te kijken wat eerst verandert en wat daarna volgt.

Zelfs dan blijft causaliteit moeilijk te bewijzen.

De moderne onderzoeksrichting is daarom voorzichtig maar belangrijk: nachtmerries worden niet meer uitsluitend gezien als een onbelangrijk bijverschijnsel van een ander probleem.

Vooral bij een nachtmerriestoornis kunnen ze zelf aandacht en behandeling verdienen.

Maar daarmee ontstaat een nieuwe vraag. Veel mensen hebben af en toe angstdromen en gaan daarna gewoon verder. Bij anderen lijkt hetzelfde soort droom zich steeds opnieuw te melden. Waarom blijft een nachtmerrie bij sommige mensen terugkomen?


13- Waarom hebben sommige mensen terugkerende nachtmerries?

Bij terugkerende nachtmerries kan precies dezelfde droom terugkomen, maar dat hoeft niet.

Soms verandert het verhaal terwijl hetzelfde thema behouden blijft.

Een paar voorbeelden:

○ iemand probeert iedere keer ergens uit te ontsnappen;
○ iemand komt steeds te laat;
○ iemand probeert iemand te bereiken maar krijgt nooit contact;
○ iemand moet steeds iemand redden maar slaagt daar niet in.

Dat raakt ook aan het bredere verschijnsel van repetitieve dromen.

Waarom zo'n patroon zich vastzet, is nog niet volledig duidelijk.

Onderzoekers Gieselmann en collega’s beschrijven een invloedrijk model waarin twee processen belangrijk kunnen zijn: hyperarousal en een verstoord proces van fear extinction.

Hyperarousal betekent dat het alarmsysteem relatief sterk geactiveerd blijft.

Fear extinction betekent niet dat een angstherinnering letterlijk wordt gewist, maar dat de angstprikkel afneemt: een prikkel die eerder gevaar voorspelde, hoeft dat gevaar nu niet meer aan te kondigen.

Wanneer het alarmsysteem sterk actief blijft en dat nieuwe veiligheidsleren onvoldoende op gang komt, kan bedreiging gemakkelijker terugkeren.

Dat model is vooral nuttig als onderzoeksmodel voor chronische nachtmerries. Het is geen bewezen verklaring voor iedere terugkerende droom.

Toch roept juist die hardnekkige herhaling een grotere vraag op. Als dromen steeds opnieuw gevaar, verlies of dreiging laten zien, is dat dan alleen een verstoring van het systeem? Of zou het herhaald simuleren van zulke situaties misschien ook een functie kunnen hebben?

14- Hebben nachtmerries volgens de wetenschap een functie?

Dit is misschien wel de verleidelijkste vraag — en een van de vragen waarop wetenschap nog geen definitief antwoord heeft.

Binnen de verschillende droomtheorieën bestaan meerdere mogelijkheden.

A- Threat Simulation Theory: oefenen met gevaar?

De Threat Simulation Theory van Antti Revonsuo en collega’s stelt dat dromen mogelijk een evolutionaire functie hebben doordat bedreigende situaties worden gesimuleerd.

Onze voorouders werden regelmatig geconfronteerd met roofdieren, geweld, rivaliteit en andere gevaren. Een intern simulatiesysteem waarin dreiging wordt geoefend zou vanuit evolutionair perspectief voordeel kunnen hebben gehad.

Onderzoek laat inderdaad zien dat bedreigingen veel in dromen voorkomen.

Studies bij onder andere Finse, Zweedse, Koerdische en Palestijnse groepen leverden aanwijzingen die bij onderdelen van de theorie passen.

Maar er bestaan ook resultaten die niet goed met de voorspellingen overeenkomen.

Threat Simulation Theory is daarmee een interessante en toetsbare theorie, geen vaststaand antwoord op de vraag waarom we nachtmerries hebben.

B- Misschien weerspiegelen nachtmerries vooral wat ons bezighoudt

De continuïteitshypothese vraagt minder naar een evolutionair doel.

Vanuit dat perspectief is het niet vreemd dat stress, conflict, verlies en dreiging in dromen voorkomen. Ze zijn overdag emotioneel belangrijk en kunnen daardoor materiaal leveren voor dromen.

Een nachtmerrie hoeft dan niet speciaal ontworpen te zijn om dreiging te oefenen.

Hij kan ook ontstaan doordat emotioneel belangrijk materiaal onderdeel wordt van het bredere droomproces.

C- Emoties en herinneringen vormen nog een derde onderzoeksrichting

Slaap speelt aantoonbaar een rol in geheugen en emotioneel functioneren. Daarom wordt onderzocht of dromen verband houden met de hersenprocessen die 's nachts plaatsvinden.

Hier moeten drie uitspraken uit elkaar worden gehouden:

▹ slaap ondersteunt geheugen en emotionele processen;
▹ droominhoud kan herinneringen en emoties bevatten;
▹ de nachtmerrie zelf heeft noodzakelijk een verwerkingsfunctie.

Voor de eerste twee bestaan goede wetenschappelijke aanknopingspunten.

De derde uitspraak gaat verder dan het huidige bewijs.

Ook theorieën rond een central image proberen te verklaren waarom een sterke emotionele zorg zich in één krachtig droombeeld kan concentreren.

Zo'n model kan helpen nadenken over de relatie tussen emotie en droombeeld, maar levert evenmin een universele vertaalsleutel voor individuele dromen.

Theorieën proberen dus te verklaren waarom nachtmerries mogelijk bestaan. Wetenschap wil daarnaast weten of de ervaring ook objectief sporen nalaat. Dat brengt ons terug van theorie naar meting: hoeveel van een nachtmerrie kunnen we eigenlijk in het lichaam waarnemen?

15- Kunnen nachtmerries lichamelijk worden gemeten?

Een nachtmerrie voelt lichamelijk echt. Mensen kunnen zwetend wakker worden, een snelle hartslag ervaren of merken dat hun lichaam gespannen is.

Onderzoekers kunnen met polysomnografie verschillende processen registreren:

▪ hersenactiviteit;
▪ oogbewegingen;
▪ spierspanning;
▪ ademhaling;
▪ hartactiviteit;
▪ slaapstadia.

Daarmee kunnen ze onderzoeken in welke slaaptoestand iemand zich bevindt en wat rond een ontwaking gebeurt.

Maar studies naar mensen met frequente nachtmerries leveren niet altijd dezelfde resultaten op.

Sommige kleine onderzoeken vonden verschillen in slaapefficiëntie, ontwakingen of hoeveelheid diepe slaap. Andere vonden juist dat mensen met frequente nachtmerries hun slaap duidelijk slechter ervoeren terwijl de algemene slaaparchitectuur nauwelijks van controlegroepen verschilde.

Dat lijkt tegenstrijdig, maar hoeft het niet te zijn.

Subjectieve slaapkwaliteit en meetbare slaapstadia zijn twee verschillende dingen.

Iemand kan fysiologisch een vrij normale nachtstructuur hebben en zich toch ellendig voelen wanneer een paar zeer intense nachtmerries de nacht domineren.

Precies daarom combineren goede studies meerdere soorten metingen.

Wanneer lichamelijke systemen tijdens slaap en dromen veranderen, wordt ook begrijpelijk waarom stoffen die op die systemen inwerken invloed kunnen hebben op droomervaringen. Daarmee komen medicijnen in beeld — zowel als mogelijke veroorzaker van nachtmerries als, opvallend genoeg, soms ook als behandeling.

16- Kunnen medicijnen nachtmerries veroorzaken?

Ja, bepaalde geneesmiddelen kunnen bij sommige mensen samenhangen met levendige dromen of nachtmerries.

Maar het verband verschilt sterk per middel en persoon.

De pagina over medicijnen en nachtmerries gaat hier uitgebreider op in.

Wetenschappelijk is het belangrijk om onderscheid te maken tussen een bijwerking die in onderzoek vaker wordt gevonden en een individuele ervaring nadat iemand met een medicijn begint.

Wanneer een persoon na het starten van een geneesmiddel ineens nachtmerries krijgt, is dat relevante informatie.

Het bewijst nog niet dat het geneesmiddel de enige oorzaak is.

Andersom worden medicijnen ook onderzocht als behandeling voor specifieke soorten nachtmerries.

Dat dubbele karakter maakt medicijnonderzoek extra interessant: een stof kan slaap en dromen beïnvloeden, maar verschillende middelen doen dat via zeer verschillende biologische mechanismen.

Daarmee komen we vanzelf bij de meest praktische vraag van al het onderzoek. Als nachtmerries via zoveel verschillende biologische, psychologische en slaapgerelateerde processen beïnvloed kunnen worden, welke behandelingen blijken dan in gecontroleerd onderzoek werkelijk te helpen?

17- Wat heeft wetenschappelijk onderzoek naar behandeling opgeleverd?

Hier is de wetenschap praktisch geworden.

We hoeven namelijk niet precies te weten waarom iedere nachtmerrie ontstaat voordat we kunnen onderzoeken of een behandeling helpt.

Onderzoekers kunnen mensen met frequente nachtmerries willekeurig over verschillende groepen verdelen, een behandeling uitvoeren en daarna meten of de frequentie, ernst of lijdensdruk verandert.

Dat is een van de redenen waarom het onderzoek naar de behandeling van nachtmerries soms sterker is dan onze kennis over de uiteindelijke oorzaak ervan.

A- Imagery Rehearsal Therapy

Een van de best onderzochte methoden is Imagery Rehearsal Therapy, meestal afgekort tot IRT.

Bij IRT wordt een nachtmerrie tijdens het wakker zijn aangepast. Vervolgens wordt de veranderde voorstelling herhaaldelijk mentaal geoefend.

De behandeling bestaat in eenvoudige vorm uit drie bewegingen:

✓ een terugkerende nachtmerrie kiezen;
✓ het droomverhaal of de afloop veranderen;
✓ de nieuwe voorstelling regelmatig oefenen.

Dat klinkt op het eerste gezicht bijna te eenvoudig.

Toch laten verschillende behandelstudies zien dat IRT de frequentie en belasting van nachtmerries kan verminderen.

Een systematische review uit 2023 waarin psychosociale behandelingen bij volwassenen en kinderen werden vergeleken, vond vooral ondersteuning voor imagery rehearsal en exposuregerichte methoden.

Wat precies het werkzame ingrediënt is, wordt nog onderzocht.

Mogelijk spelen verschillende processen tegelijk mee: herhaald benaderen van het droommateriaal, een nieuwe voorstelling leren en het ervaren van meer invloed op een verhaal dat eerder machteloos maakte.

B- Exposuretherapie

Bij exposuretherapie staat niet noodzakelijk het herschrijven van de nachtmerrie centraal.

De persoon benadert het angstige materiaal gecontroleerd in plaats van het steeds te vermijden.

Het doel is niet simpelweg zo lang mogelijk bang zijn, maar nieuw leren.

Daarmee raken IRT en exposure elkaar, terwijl ze niet hetzelfde zijn.

Juist vergelijkend behandelonderzoek kan uiteindelijk laten zien welke onderdelen bij welke mensen het belangrijkst zijn.

C- Prazosine en ander medicijnonderzoek

Vooral bij traumagerelateerde nachtmerries is prazosine onderzocht.

Een meta-analyse uit 2023 vond gemiddeld een positief effect van prazosine op nachtmerries.

Tegelijk kwam een groot deel van de beschikbare studies uit de Verenigde Staten en waren militairen en veteranen sterk vertegenwoordigd.

Dat beperkt hoe algemeen de resultaten geïnterpreteerd kunnen worden.

Een middel kan in zo'n groep werkzaam blijken zonder dat daarmee automatisch vaststaat dat dezelfde resultaten gelden voor iedere persoon met iedere vorm van nachtmerrie.

D- Lucid Dreaming Therapy

Ook Lucid Dreaming Therapy wordt wetenschappelijk onderzocht.

Het idee is dat wanneer iemand tijdens een nachtmerrie beseft dat hij droomt, mogelijk ruimte ontstaat om anders op de bedreiging te reageren.

Er bestaan positieve studies en casussen, maar de onderzoeksbasis is veel kleiner dan voor IRT. Ook leert niet iedereen even gemakkelijk lucide dromen.

Daarom is het onderscheid belangrijk:

Lucid Dreaming Therapy kan mogelijkheden bieden, maar heeft nog niet dezelfde wetenschappelijke onderbouwing als de best onderzochte behandelmethoden.

Een methode als dream re-entry kan eveneens waardevol zijn binnen droomwerk, maar staat wetenschappelijk opnieuw op een andere plek dan IRT.

Niet iedere interessante droomwerkmethode heeft dezelfde hoeveelheid klinisch bewijs.

Dat behandelingen kunnen werken is belangrijk, maar het betekent niet dat we inmiddels precies begrijpen waarom ze werken, voor wie ze het beste werken of waardoor nachtmerries überhaupt ontstaan. Juist de verschillen tussen mensen en behandelresultaten laten zien hoeveel fundamentele vragen nog openstaan.

18- Wat weten wetenschappers nog steeds niet?

Hoe langer nachtmerries worden onderzocht, hoe duidelijker wordt dat sommige eenvoudige vragen verrassend moeilijk blijven.

❖ Waarom krijgt de ene persoon tijdens stressvolle periode veel nachtmerries en een ander nauwelijks?
❖ Waarom droomt iemand na trauma letterlijk over de gebeurtenis terwijl een ander compleet nieuwe droomscenario's krijgt?
❖ Waarom verdwijnt een terugkerende nachtmerrie soms vanzelf?
❖ Waarom helpt IRT bij de ene persoon sterk en bij een ander nauwelijks?
❖ Hoe groot is de invloed van cultuur op wat mensen dromen en rapporteren?
❖ Wat onderscheidt biologisch een gewone negatieve droom van een nachtmerrie?
❖ Waarom ontstaat juist dát droombeeld en niet een ander?

Ook het verband tussen hersenprocessen en concrete droominhoud is nog grotendeels open.

Wetenschappers kunnen steeds beter meten in welke fysiologische toestand een droom ontstaat. Ze kunnen patronen vinden in emoties, geheugen, slaap en droomverslagen.

Maar de stap van hersenproces naar precies dát verhaal — die persoon, dat huis, dat monster, die plotselinge deur die niet meer opengaat — is enorm.

Wetenschappelijke vooruitgang betekent niet dat het mysterie verdwijnt

Soms ontstaat het beeld dat wetenschap uiteindelijk iedere droom tot hersenactiviteit zal reduceren.

Dat is niet noodzakelijk wat modern droomonderzoek laat zien.

Een hersenproces en een persoonlijke ervaring zijn twee verschillende beschrijvingsniveaus.

Dat we steeds beter begrijpen hoe het brein een droom kan produceren, betekent niet dat daarmee automatisch de persoonlijke betekenis van die droom is verklaard.

Wetenschap kan vooral goed vaststellen:

→ welke verschijnselen meetbaar zijn;
→ welke factoren samen voorkomen;
→ welke verklaringen onvoldoende bewijs hebben;
→ welke theorieën toetsbaar zijn;
→ welke behandelingen gemiddeld effect hebben.

Maar de wetenschap kan op dit moment niet uit één nachtmerrie afleiden wat die voor een individuele dromer betekent.

En daarmee komen de lijnen van al het onderzoek samen. We weten inmiddels veel meer over de slaap, hersenen, emoties, herinneringen, risicofactoren en behandelbaarheid van nachtmerries dan enkele tientallen jaren geleden. Tegelijk is het wetenschappelijke verhaal nog duidelijk niet af.

19- Tenslotte

Wereldwijd wetenschappelijk onderzoek heeft nachtmerries uit het domein van alleen bijgeloof, droomduiding en persoonlijke ervaring gehaald en er een serieus onderzoeksgebied van gemaakt. We weten inmiddels dat nachtmerries binnen verschillende slaapprocessen moeten worden bekeken, dat emoties en herinneringen belangrijk zijn, dat stress, trauma, slapeloosheid en mentale gezondheid ermee kunnen samenhangen en dat terugkerende nachtmerries gericht behandeld kunnen worden.

Tegelijk ontbreekt nog steeds één theorie die alles verklaart. Threat Simulation Theory, continuïteit, hyperarousal, angstleren, geheugen en emotionele processen belichten allemaal een deel van het verschijnsel. 

Misschien zal uiteindelijk blijken dat ‘de nachtmerrie’ helemaal geen enkel proces is, maar een eindpunt dat langs verschillende wegen kan ontstaan. De wetenschap heeft daardoor veel van het terrein in kaart gebracht, maar er staan nog genoeg stukken blanco op de kaart...



Bronnen

Bolstad, C.J. et al. (2026). Prevalence Rates of Frequent Dream Recall and Nightmares by Age, Gender and Sleep Duration in 16 Countries. Journal of Sleep Research.

El Sabbagh, E. et al. (2023). A systematic review of Nightmare prevalence in children. Sleep Medicine Reviews.

Faccini, J. & Del-Monte, J. (2024). Bad dream, nightmares and psychopathology: a systematic review. Frontiers in Psychiatry.

Gieselmann, A. et al. (2019). Aetiology and treatment of nightmare disorder: State of the art and future perspectives. Journal of Sleep Research.

Gill, P. et al. (2023). Psychosocial treatments for nightmares in adults and children: a systematic review. BMC Psychiatry.

Julia-Pizzamiglio Delage, J. et al. (2024). The relationships between insomnia, nightmares, and dreams: A systematic review. Sleep Medicine Reviews.

Morgenthaler, T.I. et al. (2018). Position Paper for the Treatment of Nightmare Disorder in Adults. Journal of Clinical Sleep Medicine.

Phelps, A.J., Forbes, D. & Creamer, M. (2008). Understanding posttraumatic nightmares: an empirical and conceptual review. Clinical Psychology Review.

Robert, G. & Zadra, A. (2014). Thematic and Content Analysis of Idiopathic Nightmares and Bad Dreams. Sleep.

Sandman, N. et al. (2013). Nightmares: Prevalence among the Finnish General Adult Population and War Veterans during 1972–2007. Sleep.

Sheaves, B., Rek, S. & Freeman, D. (2023). Nightmares and psychiatric symptoms: A systematic review of longitudinal, experimental, and clinical trial studies. Clinical Psychology Review.

Skeie-Larsen, M. et al. (2023). The Effects of Pharmacological Treatment of Nightmares: A Systematic Literature Review and Meta-Analysis of Placebo-Controlled, Randomized Clinical Trials.

Valli, K. & Revonsuo, A. (2009). The threat simulation theory in light of recent empirical evidence: a review. The American Journal of Psychology.