Non remslaap

16 december 2020

Een groot deel van onze nachtrust bestaat uit non-REMslaap, meestal afgekort tot NREM-slaap. Het is geen enkele uniforme slaaptoestand, maar een verzamelnaam voor drie opeenvolgende slaapstadia: N1, N2 en N3. Daarbij verloopt de slaap grofweg van de overgang tussen wakker zijn en slapen naar steeds diepere slaap.

Tijdens NREM-slaap veranderen hersenactiviteit, spierspanning, reactie op de omgeving en verschillende lichamelijke processen. Ook vinden processen plaats die samenhangen met geheugen, leren en neuroplasticiteit.

NREM-slaap wordt soms tegenover REM-slaap geplaatst alsof tijdens NREM vooral het lichaam herstelt en tijdens REM vooral de geest actief is. Die tegenstelling is te eenvoudig. Beide vormen van slaap maken deel uit van één dynamische slaaparchitectuur en dragen op verschillende, deels overlappende manieren bij aan het functioneren van hersenen en lichaam.

1. Wat is non-REMslaap?

NREM staat voor non-rapid eye movement. De naam verwijst naar het ontbreken van de karakteristieke snelle oogbewegingen die bij REM-slaap voorkomen.

NREM-slaap bestaat uit drie stadia:

  1. N1 – de overgang van wakker zijn naar slapen;
  2. N2 – een stabielere vorm van lichte slaap;
  3. N3diepe slaap, ook wel slow-wave sleep genoemd.

N1 en N2 worden meestal tot de lichte slaap gerekend. N3 noemen we diepe slaap.

Deze drie stadia vormen samen het grootste gedeelte van een normale nacht slaap.

NREM-slaap moet daarom niet worden gezien als één fase die simpelweg voorafgaat aan REM-slaap. Tijdens een nacht keren verschillende NREM-stadia steeds opnieuw terug.

2. Wat gebeurt er tijdens N1-slaap?

N1 is de overgangsfase tussen wakker zijn en slapen.

Tijdens ontspannen wakker zijn kan in een EEG duidelijke alpha-activiteit zichtbaar zijn. Bij het inslapen verandert dit patroon en wordt relatief langzamere, gemengde hersenactiviteit zichtbaar.

De aandacht voor de buitenwereld vermindert en gedachten kunnen losser en minder doelgericht worden.

Tijdens deze overgang kunnen hypnagoge beelden optreden. Iemand ziet bijvoorbeeld een gezicht of patroon, hoort een geluid of ervaart een beweging die niet rechtstreeks door de omgeving wordt veroorzaakt.

Ook het bekende gevoel plotseling te vallen kan rond het inslapen voorkomen.

N1 duurt doorgaans relatief kort. Omdat iemand nog gemakkelijk kan ontwaken, kan het achteraf zelfs voelen alsof hij helemaal niet heeft geslapen.

Vanuit N1 ontwikkelt de slaap zich meestal verder naar N2.

3. Wat gebeurt er tijdens N2-slaap?

N2 is een stabielere vorm van lichte slaap en vormt bij volwassenen een aanzienlijk deel van de totale slaaptijd.

Tijdens deze fase neemt de reactie op de buitenwereld verder af.

In de elektrische hersenactiviteit verschijnen twee karakteristieke verschijnselen:

  • slaapspoeltjes;
  • K-complexen.

Slaapspoeltjes zijn korte uitbarstingen van ritmische activiteit. Ze worden onder andere onderzocht vanwege mogelijke relaties met geheugenconsolidatie, leren en het stabiel houden van slaap.

K-complexen zijn grote karakteristieke golfvormen die spontaan kunnen ontstaan, maar ook als reactie op een prikkel uit de omgeving.

Deze patronen helpen onderzoekers om N2 tijdens slaaponderzoek te herkennen.

N2 laat tegelijkertijd zien waarom lichte slaap niet hetzelfde betekent als onbelangrijke slaap. Er vinden karakteristieke neurologische processen plaats die een eigen plaats binnen de slaap hebben.

4. Wat gebeurt er tijdens N3-slaap?

N3 is de diepe slaap binnen NREM.

Tijdens deze fase worden krachtige langzame hersengolven zichtbaar. Daarom wordt N3 ook wel slow-wave sleep genoemd.

De reactie op de omgeving is sterk verminderd en iemand is doorgaans moeilijker wakker te maken dan tijdens N1 of N2.

Diepe slaap hangt sterk samen met slaapdruk. Na een lange periode wakker zijn is de homeostatische behoefte aan slaap relatief hoog. N3 komt daarom gemiddeld vooral tijdens het eerste deel van de nacht voor.

Tijdens N3 worden verschillende processen onderzocht die samenhangen met onder andere:

  • geheugen;
  • leren;
  • neuroplasticiteit;
  • lichamelijke regulatie;
  • herstelprocessen.

Het is echter te eenvoudig om diepe slaap uitsluitend als 'lichamelijke herstelslaap' te beschrijven. Herstel en regulatie vinden gedurende meerdere slaapstadia plaats.

5. Hoe verandert NREM-slaap gedurende de nacht?

NREM-slaap staat niet op zichzelf. Zij maakt deel uit van terugkerende slaapcycli waarin NREM- en REM-slaap elkaar gedurende de nacht afwisselen.

Een vereenvoudigde beweging kan zijn:

wakker → N1 → N2 → N3 → lichtere slaap → REM → volgende cyclus

De werkelijkheid verloopt minder strak. Niet iedere cyclus bevat exact dezelfde volgorde of hoeveelheid van ieder slaapstadium.

De totale verdeling noemen we de slaaparchitectuur.

Daarin bestaat een duidelijk algemeen patroon:

eerste deel van de nacht
→ relatief veel diepe NREM-slaap

latere deel van de nacht
→ minder N3 en gemiddeld langere REM-perioden

Dit patroon wordt mede beïnvloed door slaapdruk en het circadiaans ritme.

6. Welke hersengolven horen bij NREM-slaap?

NREM-slaap is sterk verbonden met veranderingen in hersengolven.

Tijdens de overgang naar N1 neemt alpha-activiteit af en verschijnt meer langzame gemengde activiteit, waaronder theta.

N2 wordt onder andere gekenmerkt door slaapspoeltjes en K-complexen.

Tijdens N3 worden langzame golven met een relatief grote amplitude dominant. Een belangrijk gedeelte daarvan bevindt zich in het deltafrequentiegebied.

Een vereenvoudigd overzicht is:

  • N1: overgang naar langzamere activiteit;
  • N2: slaapspoeltjes en K-complexen;
  • N3: sterke langzame-golfactiviteit.

Daaruit mag niet worden geconcludeerd dat iedere hersengolffrequentie gelijkstaat aan één mentale toestand. Slaapstadia worden vastgesteld op basis van combinaties van fysiologische kenmerken.

7. Welke rol speelt NREM-slaap bij geheugen en leren?

NREM-slaap speelt een belangrijke rol binnen onderzoek naar geheugen en slaap.

Vooral de samenwerking tussen langzame hersengolven, slaapspoeltjes en activiteit vanuit de hippocampus krijgt veel aandacht.

De hippocampus is een hersengebied dat belangrijk is bij het vormen van nieuwe herinneringen. Tijdens slaap kunnen patronen die samenhangen met recente ervaringen opnieuw worden geactiveerd.

Dit kan bijdragen aan geheugenconsolidatie: het stabiliseren en verder organiseren van informatie.

NREM-slaap wordt daardoor onder andere in verband gebracht met:

  • het vasthouden van nieuwe informatie;
  • integratie van herinneringen;
  • bepaalde vormen van leren;
  • aanpassing van hersennetwerken.

Toch bestaat geen simpele verdeling waarbij NREM-slaap uitsluitend feiten verwerkt en REM-slaap uitsluitend emoties.

Slaap en leren en slaap en neuroplasticiteit zijn processen waarbij verschillende slaapstadia betrokken kunnen zijn.

8. Kunnen we tijdens NREM-slaap dromen?

Ja.

Het idee dat NREM-slaap droomloze slaap is, is achterhaald.

Wanneer mensen tijdens slaaponderzoek uit NREM-slaap worden gewekt, kunnen zij droomervaringen rapporteren.

Gemiddeld bestaan er wel verschillen met dromen die vanuit REM-slaap worden gerapporteerd.

NREM-dromen kunnen bijvoorbeeld:

  • korter zijn;
  • meer op gedachten lijken;
  • minder beeldrijk zijn;
  • sterker verbonden zijn met recente gebeurtenissen.

Maar dit zijn gemiddelden, geen harde regels.

Ook tijdens NREM-slaap kunnen levendige, emotionele en complexe dromen voorkomen.

Daarom is het nauwkeuriger om bij dromen en slaapfasen te spreken over verschillen in waarschijnlijkheid en kenmerken dan over een strikte scheiding tussen 'droomslaap' en 'droomloze slaap'.

9. Welke parasomnieën hangen samen met NREM-slaap?

Sommige parasomnieën ontstaan vooral vanuit diepe NREM-slaap.

Bekende voorbeelden zijn:

  1. slaapwandelen;
  2. nachtangst;
  3. verward ontwaken.

Deze verschijnselen ontstaan vaak tijdens een gedeeltelijke ontwaking uit N3.

Bij slaapwandelen kan iemand bijvoorbeeld bewegen en relatief complexe handelingen uitvoeren terwijl het normale wakkere bewustzijn niet volledig aanwezig is.

Dit laat zien dat slapen en wakker zijn niet altijd als twee volledig gescheiden toestanden functioneren.

Tijdens een gedeeltelijke ontwaking kunnen verschillende hersensystemen kenmerken van slaap en wakker zijn tegelijkertijd vertonen.

Dat maakt NREM-parasomnieën ook interessant voor onderzoek naar slaap en bewustzijn.

10. Wat is het verschil tussen NREM- en REM-slaap?

NREM- en REM-slaap verschillen fysiologisch duidelijk van elkaar.

A - NREM-slaap

NREM bestaat uit N1, N2 en N3. Naarmate de slaap verdiept, wordt de hersenactiviteit over het algemeen langzamer en meer gesynchroniseerd.

N3 bevat uitgesproken langzame-golfactiviteit.

B - REM-slaap

Tijdens REM-slaap wordt de hersenactiviteit relatief sneller en gemengder. Daarnaast komen karakteristieke snelle oogbewegingen voor en wordt de spierspanning sterk verminderd door REM-atonie.

REM-slaap wordt sterk geassocieerd met levendige dromen, maar is niet de enige slaapfase waarin dromen voorkomen.

De populaire tegenstelling:

NREM = lichamelijk herstel
REM = geestelijk herstel

is daarom te eenvoudig.

Beide slaapvormen zijn betrokken bij meerdere biologische en neurologische processen.

11. Verandert NREM-slaap gedurende het leven?

Ja.

De slaaparchitectuur verandert sterk van baby tot oudere volwassene.

Kinderen hebben doorgaans relatief veel diepe NREM-slaap. Tijdens de adolescentie en volwassenheid verandert de verdeling geleidelijk.

Op hogere leeftijd neemt de hoeveelheid diepe N3-slaap gemiddeld af en kan de slaap gemakkelijker worden onderbroken.

Dat betekent niet dat NREM-slaap bij ouderen verdwijnt of dat iedere verandering een slaapstoornis is.

Leeftijd beïnvloedt normale slaap, terwijl daarnaast grote individuele verschillen bestaan in slaapduur, slaapbehoefte en slaapkwaliteit.

Ook eerdere slaap speelt een rol. Na slaaptekort kan de hoeveelheid of intensiteit van langzame-golfactiviteit tijdens herstelslaap toenemen.

NREM-slaap reageert daarmee op zowel leeftijd als recente slaapgeschiedenis.

12. Waarom is NREM-slaap belangrijk?

Het is verleidelijk om aan ieder slaapstadium één specifieke functie toe te kennen.

N1 zou dan alleen het inslapen verzorgen, N2 geheugen verwerken, N3 het lichaam herstellen en REM emoties en dromen regelen.

De werkelijkheid is veel complexer.

NREM-slaap maakt deel uit van een dynamisch systeem waarin verschillende hersen- en lichaamsprocessen elkaar gedurende de nacht beïnvloeden.

Onderzoek verbindt NREM-slaap onder andere met:

  • geheugenconsolidatie;
  • leren;
  • neuroplasticiteit;
  • regulatie van slaapdruk;
  • lichamelijke processen;
  • stabiliteit van slaap.

Maar geen van deze processen hoeft exclusief tot NREM-slaap beperkt te zijn.

De betekenis van NREM-slaap ligt daarom niet in één afzonderlijke functie, maar in haar plaats binnen het grotere biologische systeem van slapen.

13. Tenslotte

Non-REMslaap vormt het grootste gedeelte van onze nachtrust en bestaat uit drie stadia: N1, N2 en N3.

N1 vormt de overgang tussen wakker zijn en slapen. Tijdens N2 wordt de slaap stabieler en verschijnen karakteristieke patronen zoals slaapspoeltjes en K-complexen. N3 is de diepe slaap waarin krachtige langzame hersenactiviteit optreedt.

Deze stadia keren gedurende de nacht terug en worden afgewisseld met REM-slaap.

Daarbij verandert hun onderlinge verhouding: vroeg in de nacht komt gemiddeld meer diepe NREM-slaap voor, terwijl REM-perioden richting de ochtend langer worden.

NREM-slaap speelt een belangrijke rol bij onderzoek naar geheugen, leren, neuroplasticiteit, slaapdruk en lichamelijke regulatie. Ook kunnen tijdens NREM-slaap dromen voorkomen en hangen verschillende parasomnieën samen met gedeeltelijke ontwakingen vanuit diepe NREM-slaap.

Daarmee is NREM-slaap veel meer dan de afwezigheid van REM.

NREM-slaap vormt een verzameling verschillende slaaptoestanden waarin hersenen en lichaam voortdurend veranderen, informatie verwerken en samen met REM-slaap de architectuur van een volledige nacht vormen.