- 1. Wat is motor imagery?
- 2. Een beweging zien of een beweging voelen
- 3. Motor imagery en mental imagery
- 4. Wat gebeurt er in de hersenen?
- 5. Mentale oefening
- 6. Motor imagery in sport
- 7. Motor imagery en motorisch leren
- 8. Motor imagery bij revalidatie
- 9. Motor imagery en neuroplasticiteit
- 10. Kun je goed zijn in visualiseren maar slecht in motor imagery?
- 11. Motor imagery, actieobservatie en spiegelen
- 12. Van voorstelling naar beweging
- 13. Tenslotte
Motor imagery
Een tennisser staat vlak voor zijn service en stelt zich voor hoe hij de bal opgooit, zijn arm naar achteren beweegt en het racket vervolgens door de bal heen slaat. Een pianist kan in gedachten een passage spelen zonder zijn vingers daadwerkelijk over de toetsen te bewegen. En iemand die na een beroerte opnieuw leert lopen, kan zich tijdens de revalidatie voorstellen hoe hij zijn been optilt en een stap zet.
In al deze situaties kan motor imagery een rol spelen: het mentaal voorstellen of simuleren van een beweging zonder die beweging daadwerkelijk uit te voeren.
Motor imagery is een bijzondere vorm van mental imagery. De voorstelling hoeft daarbij niet alleen te bestaan uit het innerlijk zien van een beweging. Je kunt ook ervaren hoe het zou voelen om de beweging te maken.
1. Wat is motor imagery?
Motor imagery betekent letterlijk motorische verbeelding. Binnen de psychologie en neurowetenschappen wordt ermee bedoeld dat iemand een beweging mentaal simuleert zonder deze daadwerkelijk uit te voeren.
Je kunt je bijvoorbeeld voorstellen hoe je:
- een tennisbal slaat;
- een glas oppakt;
- over een evenwichtsbalk loopt;
- een pianotoets indrukt;
- een dansbeweging uitvoert;
- je hand opent en weer sluit.
Motor imagery is daarmee een vorm van imaginatie die specifiek gericht is op beweging en handelen.
Dat onderscheidt het bijvoorbeeld van je voorstellen hoe een strand eruitziet of hoe iemands stem klinkt. Bij motor imagery staat de representatie van een handeling of beweging centraal.
2. Een beweging zien of een beweging voelen
Motor imagery kan verschillende zintuiglijke elementen bevatten. Vooral het onderscheid tussen visuele en kinesthetische motor imagery is belangrijk.
A - Visuele motor imagery
Bij visuele motor imagery stel je je voor hoe een beweging eruitziet.
Dat kan vanuit verschillende perspectieven.
Bij een eerstepersoonsperspectief beleef je de beweging ongeveer vanuit je eigen ogen. Als je je voorstelt dat je fietst, zie je bijvoorbeeld je handen aan het stuur en de weg voor je.
Bij een derdepersoonsperspectief kun je jezelf juist van buitenaf zien bewegen, bijna alsof je naar een film van jezelf kijkt.
B - Kinesthetische motor imagery
Bij kinesthetische motor imagery staat niet zozeer centraal wat je ziet, maar hoe de beweging voelt.
Je kunt je bijvoorbeeld de spanning in je spieren voorstellen, de stand van je arm, het ritme van een beweging of het gevoel van kracht dat nodig is om een voorwerp op te tillen.
Motor imagery is daardoor niet noodzakelijk puur visueel. Hedendaagse theorieën beschrijven het vaak als een proces waarin visuele, kinesthetische en soms andere zintuiglijke informatie samen kunnen komen.
3. Motor imagery en mental imagery
Mental imagery is de overkoepelende term voor innerlijke zintuiglijke voorstellingen die ontstaan zonder dat de bijbehorende prikkel op dat moment rechtstreeks aanwezig hoeft te zijn.
Daaronder vallen bijvoorbeeld:
- visual imagery — iets innerlijk zien;
- auditory imagery — iets innerlijk horen;
- olfactory imagery — een geur voorstellen;
- tactile imagery — aanraking voorstellen;
- motor imagery — een beweging mentaal simuleren.
Motor imagery is dus geen alternatief voor mental imagery, maar een specifieke vorm ervan.
Daarbij kunnen verschillende modaliteiten elkaar overlappen. Wanneer je je voorstelt dat je een voetbal schiet, kun je tegelijkertijd de bal zien, het contact met je voet voelen en misschien zelfs het geluid van de trap innerlijk horen.
Een motorische voorstelling kan daarmee multisensorisch zijn.
4. Wat gebeurt er in de hersenen?
Motor imagery is interessant voor neurowetenschappers omdat het voorstellen en daadwerkelijk uitvoeren van bewegingen gedeeltelijk gebruikmaken van overlappende hersenprocessen.
Onderzoek heeft bij motor imagery activiteit gevonden in een breder netwerk waarbij onder andere premotorische en supplementair-motorische gebieden en pariëtale gebieden betrokken kunnen zijn. Afhankelijk van de taak en vorm van imagery kunnen ook andere hersengebieden deelnemen.
Dat heeft geleid tot het idee dat een voorgestelde beweging als een soort interne simulatie van werkelijk bewegen kan functioneren.
Maar de formulering “voor het brein maakt het niet uit of je iets doet of alleen voorstelt” gaat te ver.
Motor imagery en daadwerkelijke beweging zijn geen identieke processen. Bovendien laat recent grootschalig neuroimagingonderzoek zien dat motor imagery ook sterk samenhangt met cognitieve processen zoals het werkgeheugen.
Motor imagery bevindt zich daardoor als het ware tussen denken en handelen: er wordt een beweging gerepresenteerd en voorbereid zonder dat deze volledig motorisch wordt uitgevoerd.
5. Mentale oefening
Een belangrijke toepassing van motor imagery is mental practice: een beweging mentaal oefenen zonder haar op dat moment daadwerkelijk uit te voeren.
Een pianist kan bijvoorbeeld een moeilijke passage in gedachten doorlopen. Een turner kan een complete oefening mentaal uitvoeren voordat hij daadwerkelijk begint. Een voetballer kan zich een strafschop voorstellen.
De mentale voorstelling kan aandacht bevatten voor:
→ het begin van de beweging;
→ de juiste volgorde;
→ timing en ritme;
→ de positie van het lichaam;
→ het gevoel van de beweging;
→ de gewenste afloop.
Dat betekent niet dat mentale oefening fysieke oefening simpelweg kan vervangen. Bij werkelijk bewegen krijgt het lichaam informatie die een voorstelling alleen niet kan leveren, zoals daadwerkelijke belasting, balans, weerstand en sensorische feedback.
Motor imagery kan fysieke training echter aanvullen en is daarom al lange tijd onderwerp van onderzoek binnen onder andere sport, muziek, motorisch leren en revalidatie.
6. Motor imagery in sport
Binnen de sportpsychologie is motor imagery waarschijnlijk een van de bekendste toepassingen van visualiseren.
Toch is visualiseren eigenlijk een wat beperkte benaming. Een sporter hoeft zijn prestatie namelijk niet uitsluitend voor zich te zien.
Een sprinter kan zich bijvoorbeeld voorstellen:
- hoe zijn voeten tegen de startblokken drukken;
- hoe zijn lichaam bij het startsignaal reageert;
- hoe de eerste passen voelen;
- welk ritme hij tijdens de versnelling bereikt;
- hoe zijn armen en benen samenwerken.
Het lichamelijke gevoel van de beweging kan minstens zo belangrijk zijn als het visuele beeld.
Daarom spreken onderzoekers bij bewegingsvoorstellingen liever over motor imagery dan uitsluitend over visualisatie.
De kwaliteit van de voorstelling kan bovendien verschillen tussen mensen. De ene sporter ervaart zeer levendige lichamelijke sensaties, terwijl een ander vooral ruimtelijk of conceptueel weet welke beweging moet worden uitgevoerd.
7. Motor imagery en motorisch leren
Een belangrijke onderzoeksvraag is of alleen het mentaal oefenen van bewegingen ook werkelijk kan bijdragen aan motorisch leren.
Daar zijn aanwijzingen voor, maar het effect hangt af van de taak, de persoon, de gebruikte methode en de combinatie met daadwerkelijke oefening.
Een mogelijke verklaring is dat bij motor imagery delen van de representatie en planning van een beweging worden geactiveerd zonder dat de beweging volledig wordt uitgevoerd.
Daardoor kan iemand bijvoorbeeld de volgorde, timing of organisatie van een handeling mentaal blijven oefenen.
Dit helpt ook verklaren waarom ervaring belangrijk kan zijn. Wie een beweging al goed kent, beschikt over een rijkere motorische representatie waarop de imaginatie kan voortbouwen.
Je voorstellen hoe een bekende tennisservice voelt is iets anders dan een technisch complexe beweging proberen te simuleren die je lichaam nog nooit heeft uitgevoerd.
8. Motor imagery bij revalidatie
Motor imagery wordt ook onderzocht binnen neurologische revalidatie, onder andere na een beroerte.
Daar heeft het een bijzondere aantrekkingskracht: iemand kan een beweging mentaal oefenen terwijl daadwerkelijke uitvoering nog moeilijk of beperkt is.
Onderzoek naar mensen na een beroerte laat zien dat motor-imagerytraining in sommige situaties kan bijdragen aan verbetering van motorische functies, bijvoorbeeld wanneer zij wordt gecombineerd met gewone revalidatie.
De resultaten zijn echter niet uniform.
Recente systematische reviews vinden zowel positieve effecten als aanzienlijke verschillen tussen onderzoeken. Daarbij spelen onder andere onderzoeksopzet, kwaliteit, type training, duur en de ernst van motorische beperkingen een rol.
Motor imagery moet daarom niet worden gezien als een bewezen vervanging voor lichamelijke revalidatie. Het wordt vooral onderzocht en toegepast als mogelijke aanvulling op daadwerkelijke training.
9. Motor imagery en neuroplasticiteit
De belangstelling voor motor imagery hangt ook samen met neuroplasticiteit: het vermogen van het zenuwstelsel om zich onder invloed van ervaring en oefening aan te passen.
Omdat motor imagery hersennetwerken aanspreekt die betrokken zijn bij het representeren, plannen en controleren van beweging, wordt onderzocht in hoeverre herhaalde mentale oefening kan bijdragen aan veranderingen in die netwerken.
Daarbij is enige voorzichtigheid belangrijk.
De populaire uitspraak dat je door iets alleen maar vaak genoeg te visualiseren “nieuwe neurale paden aanlegt alsof je het echt doet” maakt van een ingewikkeld onderzoeksgebied een te eenvoudige formule.
Werkelijke beweging en motor imagery overlappen gedeeltelijk, maar leveren niet dezelfde ervaring op. Bij echte beweging zijn bijvoorbeeld spieractiviteit, evenwicht, proprioceptieve feedback en voortdurende correcties vanuit het lichaam betrokken.
Neuroplasticiteit betekent dus niet dat verbeelden en uitvoeren onderling verwisselbaar zijn.
10. Kun je goed zijn in visualiseren maar slecht in motor imagery?
Dat is mogelijk.
Het vermogen tot mental imagery verschilt aanzienlijk tussen mensen en hoeft niet voor iedere vorm van imagery hetzelfde te zijn.
Iemand kan bijvoorbeeld gemakkelijk gezichten en landschappen voor zich zien, maar moeite hebben om het lichamelijke gevoel van een beweging op te roepen. Een ander ervaart juist sterke kinesthetische voorstellingen terwijl de visuele component nauwelijks aanwezig is.
Dat is ook relevant bij aphantasia. Het ontbreken of sterk verminderen van vrijwillige visuele voorstellingen betekent niet automatisch dat alle andere vormen van imagery eveneens afwezig zijn.
Aan de andere kant betekent hyperphantasia — uitzonderlijk levendige mentale beelden — niet vanzelfsprekend dat iemand ook uitzonderlijk goede motor imagery heeft.
Motor imagery laat daarmee mooi zien waarom imaginatie niet als één enkel vermogen moet worden beschouwd. Innerlijke voorstellingen kunnen verschillen in modaliteit, perspectief, levendigheid, controle en lichamelijke ervaring.
11. Motor imagery, actieobservatie en spiegelen
Motor imagery moet ook worden onderscheiden van actieobservatie.
Bij motor imagery genereer je de beweging intern. Bij actieobservatie kijk je daadwerkelijk naar iemand die beweegt.
Stel dat je een tennisser een service ziet uitvoeren:
- actieobservatie: je kijkt naar de beweging;
- motor imagery: je stelt je voor dat jij de service uitvoert;
- combinatie: je kijkt naar de speler terwijl je tegelijkertijd probeert te ervaren hoe het zou voelen om die beweging zelf uit te voeren.
Onderzoek laat zien dat actieobservatie en motor imagery beide het motorische systeem kunnen aanspreken, maar het zijn geen identieke processen. Ook wordt onderzocht of een combinatie van beide bruikbaar kan zijn bij motorisch leren en revalidatie.
Hier bestaat bovendien een interessante verbinding met spiegelen: het waarnemen van bewegingen van anderen kan invloed hebben op onze eigen interne representaties van handelen. Het populaire begrip spiegelneuronen wordt daarbij soms veel ruimer gebruikt dan de wetenschappelijke bevindingen rechtvaardigen. Motorisch leren, imitatie, empathie en sociale waarneming kunnen niet simpelweg allemaal tot één spiegelsysteem worden teruggebracht.
12. Van voorstelling naar beweging
Motor imagery laat een interessante eigenschap van de menselijke verbeeldingskracht zien. We kunnen een handeling simuleren voordat het lichaam haar daadwerkelijk uitvoert.
Dat heeft een duidelijke praktische functie.
Voordat iemand van een rots naar de overkant springt, een moeilijke pianopassage speelt of een ingewikkelde beweging uitvoert, kan er al een interne representatie bestaan van wat er gaat gebeuren.
Die voorstelling kan voortbouwen op eerdere ervaringen uit het geheugen, maar is tegelijkertijd toekomstgericht. Het brein combineert bekende bewegingen, verwachtingen, ruimtelijke informatie en mogelijke gevolgen tot een simulatie van een handeling die nog niet heeft plaatsgevonden.
Motor imagery raakt daarmee aan een breder principe van de menselijke cognitie: we hoeven niet iedere mogelijkheid eerst werkelijk uit te voeren om haar mentaal te kunnen verkennen.
13. Tenslotte
Motor imagery is meer dan jezelf in gedachten zien bewegen. Het kan een rijke innerlijke simulatie zijn waarin zien, voelen, timing, ruimte en beweging samenkomen. Soms staat het beeld centraal, soms juist het lichamelijke gevoel van de beweging.
Dat vermogen wordt gebruikt bij sport en mentale oefening en onderzocht binnen motorisch leren en neurologische revalidatie. De wetenschap laat daarbij een interessanter beeld zien dan de populaire gedachte dat verbeelden simpelweg hetzelfde is als doen. Motor imagery en daadwerkelijke beweging delen processen, maar hebben ook duidelijke verschillen.
Juist daarin ligt de betekenis van motor imagery. Tussen een beweging bedenken en haar daadwerkelijk uitvoeren bestaat een mentale ruimte waarin het brein kan simuleren wat het lichaam nog niet doet.