- 1. Wie was Sigmund Freud?
- 2. Wat bedoelde Freud met het onbewuste?
- 3. Wat zijn id, ego en superego?
- 4. Waarom waren innerlijke conflicten zo belangrijk voor Freud?
- 5. Wat is verdringing?
- 6. Hoe werkte de psychoanalyse van Freud?
- 7. Hoe keek Freud naar de ontwikkeling van persoonlijkheid?
- 8. Welke rol speelden seksualiteit en verlangens?
- 9. Hoe keek Freud naar dromen?
- 10. Hoe verschilden Freud en Carl Gustav Jung?
- 11. Hoe beïnvloeden ervaringen volgens Freud onze kijk op de werkelijkheid?
- 12. Had Freud gelijk over het onbewuste?
- 13. Hoe kijkt de moderne psychologie naar Freud?
- 14. Waarom is Freud nog steeds belangrijk?
- 15. Tenslotte
Sigmund Freud
Sigmund Freud (1856–1939) was een Oostenrijkse neuroloog en de grondlegger van de psychoanalyse. Hij behoort tot de invloedrijkste en tegelijkertijd meest omstreden denkers uit de geschiedenis van de psychologie.
Freud stelde dat een belangrijk deel van het menselijke gedrag wordt beïnvloed door psychische processen waarvan we ons niet bewust zijn. Hij ontwikkelde theorieën over het onbewuste, verdringing, afweermechanismen, seksualiteit, dromen en de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Ook introduceerde hij een persoonlijkheidsmodel waarin id, ego en superego voortdurend met elkaar in wisselwerking staan.
Veel specifieke theorieën van Freud worden binnen de moderne wetenschappelijke psychologie niet meer aanvaard zoals hij ze oorspronkelijk formuleerde. Zijn invloed op het denken over persoonlijkheid, psychotherapie, innerlijke conflicten en onbewuste processen is echter moeilijk te overschatten.
1. Wie was Sigmund Freud?
Sigmund Freud werd in 1856 geboren in Freiberg in Moravië, destijds onderdeel van het Oostenrijkse Keizerrijk. Zijn familie verhuisde tijdens zijn jeugd naar Wenen, de stad waarmee zijn leven en werk sterk verbonden zouden raken.
Freud studeerde geneeskunde en specialiseerde zich aanvankelijk in neurologie. Zijn belangstelling verschoof geleidelijk naar psychische klachten waarvoor geen duidelijke lichamelijke verklaring werd gevonden.
In samenwerking en discussie met verschillende artsen en onderzoekers ontwikkelde hij uiteindelijk een nieuwe manier om naar psychische problemen te kijken.
Daaruit ontstond de psychoanalyse.
In plaats van alleen naar zichtbare symptomen te kijken, probeerde Freud te begrijpen welke onbewuste conflicten, herinneringen en verlangens daarachter zouden kunnen liggen.
Na de machtsovername door nazi-Duitsland in Oostenrijk vluchtte Freud, die uit een Joodse familie kwam, in 1938 naar Londen. Daar overleed hij in 1939.
2. Wat bedoelde Freud met het onbewuste?
Een van Freuds bekendste ideeën is dat slechts een deel van onze psychische activiteit bewust toegankelijk is.
Volgens hem bestaan er gedachten, verlangens, herinneringen en conflicten die buiten het bewustzijn kunnen blijven en toch invloed kunnen hebben op gevoelens en gedrag.
Het idee dat psychische processen buiten het bewustzijn plaatsvinden was niet volledig nieuw. Freud maakte het echter tot een centraal onderdeel van zijn theorie over de menselijke persoonlijkheid.
Bewust, voorbewust en onbewust
In zijn vroege model maakte Freud onderscheid tussen:
- bewust – wat iemand op dit moment bewust ervaart;
- voorbewust – informatie die niet voortdurend bewust aanwezig is, maar relatief gemakkelijk kan worden opgeroepen;
- onbewust – psychische inhoud die volgens Freud buiten het bewustzijn wordt gehouden maar gedrag toch kan beïnvloeden.
De moderne psychologie bevestigt ruimschoots dat veel informatieverwerking buiten het bewuste bewustzijn plaatsvindt.
Dat betekent echter niet dat Freuds specifieke model van het onbewuste daarmee bewezen is. Moderne begrippen als automatische informatieverwerking, impliciet geheugen en onbewuste waarnemingsprocessen zijn niet simpelweg hetzelfde als het Freudiaanse onbewuste.
3. Wat zijn id, ego en superego?
Later ontwikkelde Freud een ander model van de persoonlijkheid. Daarin onderscheidde hij id, ego en superego.
A - Id
Het id – oorspronkelijk Es – vertegenwoordigt binnen Freuds theorie de meest basale driften en verlangens.
Het wordt gestuurd door het lustprincipe: het streven naar onmiddellijke bevrediging.
B - Ego
Het ego – Ich – probeert rekening te houden met de werkelijkheid.
Een mens kan iets verlangen, maar moet tegelijkertijd omgaan met omstandigheden, consequenties en sociale grenzen. Het ego bemiddelt volgens Freud tussen deze verschillende eisen.
C - Superego
Het superego – Über-Ich – vertegenwoordigt geïnternaliseerde normen, verboden en idealen.
Deze drie onderdelen moeten niet letterlijk worden opgevat als afzonderlijke gebieden in de hersenen. Het zijn theoretische begrippen waarmee Freud innerlijke psychologische conflicten probeerde te beschrijven.
4. Waarom waren innerlijke conflicten zo belangrijk voor Freud?
Freud zag de menselijke psyche als dynamisch.
Mensen willen niet altijd hetzelfde. Een verlangen kan botsen met een morele overtuiging, sociale verwachtingen of angst voor de gevolgen.
Iemand kan bijvoorbeeld sterk verlangen naar erkenning en tegelijkertijd bang zijn voor kritiek. Een ander kan boos zijn op iemand van wie hij tegelijkertijd afhankelijk is.
Voor Freud konden zulke conflicten gedeeltelijk buiten het bewustzijn plaatsvinden.
Afweermechanismen
Om met bedreigende gedachten, gevoelens en conflicten om te gaan, maakt het ego volgens de psychoanalytische theorie gebruik van afweermechanismen.
Voorbeelden zijn:
- verdringing;
- ontkenning;
- projectie;
- rationalisatie;
- verplaatsing.
Anna Freud werkte deze ideeën later verder uit.
Het bredere idee dat mensen zichzelf psychologisch kunnen beschermen tegen pijnlijke informatie heeft veel invloed gehad. De precieze klassieke psychoanalytische verklaringen worden echter niet allemaal door modern onderzoek ondersteund.
5. Wat is verdringing?
Verdringing is een van Freuds bekendste begrippen.
Freud veronderstelde dat gedachten, herinneringen of verlangens die te bedreigend zijn voor het bewustzijn naar het onbewuste kunnen worden verdrongen.
Ze verdwijnen volgens zijn theorie niet werkelijk. Ze kunnen indirect blijven doorwerken in emoties, gedrag, symptomen, versprekingen en dromen.
Dit idee heeft grote culturele invloed gehad.
Wetenschappelijk ligt het ingewikkelder.
Mensen kunnen gebeurtenissen vergeten, vermijden, anders herinneren of moeite hebben om over pijnlijke ervaringen na te denken. Geheugen is bovendien reconstructief en kan veranderen.
Daarom mag niet automatisch worden aangenomen dat een vergeten ervaring intact in het onbewuste ligt opgeslagen en later exact kan worden teruggevonden.
Dat onderscheid is vooral belangrijk bij traumatische en zogenaamde hervonden herinneringen.
6. Hoe werkte de psychoanalyse van Freud?
Freud ontwikkelde psychoanalyse zowel als theorie over de menselijke psyche als methode voor psychotherapie.
Het doel was onder andere om psychische processen die buiten het bewustzijn lagen beter toegankelijk te maken.
Een belangrijke techniek werd vrije associatie.
De patiënt werd aangemoedigd gedachten zo vrij mogelijk uit te spreken zonder vooraf te bepalen wat belangrijk, logisch of gepast was.
Freud veronderstelde dat terugkerende onderwerpen, onderbrekingen, emoties en associaties aanwijzingen konden geven voor onderliggende conflicten.
Overdracht
Een ander belangrijk begrip werd overdracht.
Gevoelens en verwachtingen die oorspronkelijk verbonden waren met belangrijke personen uit iemands leven konden volgens de psychoanalyse opnieuw zichtbaar worden binnen de relatie met de therapeut.
De therapeutische relatie werd daardoor zelf onderdeel van het onderzoek.
Moderne psychodynamische therapieën zijn uit deze traditie voortgekomen, maar zijn sinds Freud sterk veranderd.
7. Hoe keek Freud naar de ontwikkeling van persoonlijkheid?
Freud kende grote betekenis toe aan ervaringen tijdens de vroege jeugd.
Hij ontwikkelde een theorie van psychoseksuele ontwikkelingsfasen:
- orale fase;
- anale fase;
- fallische fase;
- latentiefase;
- genitale fase.
Volgens Freud konden conflicten binnen deze fasen invloed blijven uitoefenen op de latere persoonlijkheid.
Binnen deze theorie ontstond ook het beroemde oedipuscomplex, waarbij een kind volgens Freud onbewuste verlangens en rivaliteit binnen de relatie met de ouders ontwikkelt.
Deze theorieën hebben enorme historische invloed gehad, maar worden binnen de moderne ontwikkelingspsychologie niet beschouwd als een empirisch bevestigd algemeen model van de menselijke ontwikkeling.
Dat neemt niet weg dat Freuds bredere aandacht voor vroege ervaringen en relaties een belangrijke invloed heeft gehad op latere psychologische theorieën.
8. Welke rol speelden seksualiteit en verlangens?
Seksualiteit kreeg bij Freud een veel bredere psychologische betekenis dan gebruikelijk was in zijn tijd.
Hij gebruikte het begrip libido voor psychische energie die oorspronkelijk sterk verbonden was met seksuele driften.
Freud stelde bovendien dat seksualiteit niet pas tijdens de volwassenheid ontstaat, maar onderdeel is van de menselijke ontwikkeling vanaf de jeugd.
Dat was rond het begin van de twintigste eeuw bijzonder controversieel.
Tegelijkertijd is zijn sterke nadruk op seksualiteit een van de meest bekritiseerde onderdelen van zijn theorie.
Menselijke motivatie blijkt veel breder. Verbondenheid, veiligheid, autonomie, status, nieuwsgierigheid, betekenisgeving, competentie en sociale relaties kunnen eveneens belangrijke motivaties vormen.
9. Hoe keek Freud naar dromen?
Dromen waren voor Freud een belangrijke toegang tot het onbewuste.
In Die Traumdeutung – gepubliceerd rond de overgang naar de twintigste eeuw – werkte hij zijn droomtheorie uitgebreid uit.
Freud maakte onderscheid tussen:
- Manifeste droominhoud
De droom zoals iemand hem zich herinnert. - Latente droominhoud
De onderliggende verlangens en gedachten die volgens Freud achter de droom verborgen liggen.
Hij beschouwde dromen voornamelijk als een vorm van wensvervulling. Onbewuste verlangens zouden tijdens de slaap in veranderde of symbolische vorm tot uitdrukking kunnen komen.
Is Freuds droomtheorie bewezen?
Nee.
De moderne droom- en slaapwetenschap ondersteunt niet het algemene uitgangspunt dat dromen voornamelijk gecodeerde wensvervullingen zijn.
Onderzoek kijkt onder andere naar geheugen, emoties, associatieve verwerking, hersenactiviteit en de verwerking van recente en oudere ervaringen.
Freuds historische betekenis blijft echter groot. Hij maakte dromen tot een belangrijk onderdeel van zijn theorie over de psyche en stimuleerde langdurige discussie over de mogelijke psychologische betekenis van dromen.
10. Hoe verschilden Freud en Carl Gustav Jung?
Carl Gustav Jung behoorde enige tijd tot de belangrijkste mensen rond Freud. Freud zag in hem aanvankelijk een belangrijke vertegenwoordiger van de toekomst van de psychoanalyse.
Hun ideeën gingen echter steeds verder uiteen.
Freud legde veel nadruk op verdringing, seksualiteit en individuele ervaringen.
Jung ontwikkelde uiteindelijk zijn eigen analytische psychologie en introduceerde onder meer:
- het persoonlijk onbewuste;
- het collectief onbewuste;
- archetypen;
- de schaduw;
- het Zelf;
- individuatie.
Ook hun visie op dromen verschilde.
Freud zocht vooral naar onderliggende verdrongen verlangens en conflicten. Jung zag dromen breder als psychische verschijnselen die volgens hem ook een compenserende en ontwikkelende functie konden hebben.
De breuk tussen beide denkers werd uiteindelijk definitief.
11. Hoe beïnvloeden ervaringen volgens Freud onze kijk op de werkelijkheid?
Freud gebruikte het moderne begrip wereldmodel niet op de manier waarop wij dat tegenwoordig kunnen gebruiken. Toch raakt zijn theorie aan een belangrijke gedachte daarachter: eerdere ervaringen beïnvloeden hoe iemand nieuwe situaties interpreteert.
Binnen de psychoanalyse kunnen onbewuste verwachtingen uit eerdere relaties bijvoorbeeld opnieuw worden toegepast op nieuwe mensen.
Iemand die kritiek of afwijzing verwacht, kan een neutrale reactie anders interpreteren dan iemand die veiligheid en acceptatie verwacht.
Freud zou zo'n proces vanuit zijn eigen theoretische begrippen verklaren, bijvoorbeeld via overdracht of onbewuste conflicten.
Tegenwoordig kunnen we dit breder bekijken vanuit perceptie, geheugen, verwachtingen, overtuigingen en het wereldmodel dat iemand in de loop van het leven ontwikkelt.
Een wereldmodel is daarbij geen letterlijke afbeelding van de werkelijkheid, maar een voortdurend veranderend geheel van verwachtingen en interpretaties waarmee iemand probeert te voorspellen en begrijpen wat er gebeurt.
Hier ontstaat een interessante verbinding tussen historische psychologie en moderne inzichten: we hoeven Freuds volledige theorie niet te accepteren om te erkennen dat eerdere ervaringen mede beïnvloeden hoe mensen nieuwe situaties interpreteren.
12. Had Freud gelijk over het onbewuste?
Hier is een belangrijk onderscheid nodig.
Freuds algemene gedachte dat mensen niet volledig weten waarom ze denken, voelen en handelen zoals ze doen, bleek bijzonder invloedrijk.
Moderne psychologie en neurowetenschap laten inderdaad zien dat veel mentale processen plaatsvinden zonder bewuste aandacht.
Maar:
het bestaan van onbewuste informatieverwerking bewijst niet automatisch Freuds theorie van het onbewuste.
Moderne onderzoekers verklaren onbewuste processen bijvoorbeeld vanuit automatische informatieverwerking, impliciete associaties, geheugen, aandacht, perceptie en aangeleerde verwachtingen.
Daarvoor zijn Freuds id, verdrongen seksuele verlangens of oedipuscomplex niet noodzakelijk.
Zijn fundamentele vraag – hoeveel van ons gedrag wordt bepaald door processen waarvan we ons niet bewust zijn? – is echter nog altijd relevant.
Het wetenschappelijke antwoord daarop wordt tegenwoordig met heel andere onderzoeksmethoden gezocht.
13. Hoe kijkt de moderne psychologie naar Freud?
Freuds positie is bijzonder.
Aan de ene kant zijn verschillende centrale onderdelen van zijn oorspronkelijke theorie moeilijk toetsbaar gebleken of onvoldoende empirisch ondersteund. Zijn psychoseksuele ontwikkelingsmodel, universele oedipuscomplex en veel van zijn specifieke droominterpretaties behoren niet tot de fundamenten van de hedendaagse wetenschappelijke psychologie.
Aan de andere kant veranderde Freud blijvend hoe mensen over de menselijke psyche gingen nadenken.
Hij vestigde onder andere aandacht op:
- psychische processen buiten het bewustzijn;
- innerlijke conflicten;
- de invloed van vroege ervaringen;
- afweermechanismen;
- de therapeutische relatie;
- de betekenis van persoonlijke geschiedenis;
- het onderzoeken van gedachten en gevoelens die iemand moeilijk onder woorden brengt.
Sommige ideeën werden verworpen, andere aangepast en weer andere ontwikkelden zich verder binnen psychodynamische theorieën.
Freud is niet hetzelfde als moderne psychodynamische therapie
Dat onderscheid is belangrijk.
De hedendaagse psychodynamische psychologie is geen onveranderde voortzetting van Freuds theorie. Meer dan een eeuw onderzoek, klinische ervaring en theoretische ontwikkeling heeft de oorspronkelijke psychoanalyse sterk veranderd.
Freud beoordelen en de huidige psychodynamische therapieën beoordelen zijn daarom twee verschillende vragen.
14. Waarom is Freud nog steeds belangrijk?
Weinig psychologische denkers hebben zoveel begrippen in het dagelijks taalgebruik gebracht.
Woorden en ideeën als ego, verdringing, afweer, onbewuste motieven en freudiaanse verspreking zijn onderdeel geworden van de cultuur.
Zijn invloed reikt bovendien verder dan psychologie en psychiatrie. Freud beïnvloedde literatuur, kunst, filosofie, film en de manier waarop mensen over seksualiteit en identiteit spreken.
Tegelijkertijd is juist die bekendheid een bron van verwarring.
Freud wordt soms behandeld alsof zijn theorieën nog steeds de basis vormen van de moderne psychologie. Dat is niet zo. Hedendaagse psychologie omvat onder andere cognitieve, gedragswetenschappelijke, biologische, sociale en neurowetenschappelijke benaderingen die grotendeels buiten het klassieke Freudiaanse model werken.
Zijn belangrijkste plaats is daarom zowel historisch als intellectueel: Freud stelde vragen over menselijk gedrag die generaties psychologen dwongen om het bewustzijn, het onbewuste en de persoonlijkheid opnieuw te onderzoeken.
15. Tenslotte
Sigmund Freud veranderde het denken over de menselijke psyche door het onbewuste centraal te stellen. Volgens hem wordt gedrag niet alleen gestuurd door bewuste keuzes, maar ook door verlangens, herinneringen en innerlijke conflicten waarvan iemand zich niet volledig bewust is.
Daaruit ontwikkelde hij zijn psychoanalyse, theorieën over id, ego en superego, afweermechanismen, verdringing, seksualiteit, persoonlijkheidsontwikkeling en dromen.
Veel specifieke onderdelen van die theorieën worden tegenwoordig niet meer beschouwd als wetenschappelijk bewezen verklaringen. Moderne psychologie kijkt anders naar geheugen, ontwikkeling, motivatie, persoonlijkheid en onbewuste informatieverwerking.
Toch blijft Freud belangrijk. Niet omdat de psychologie zijn volledige wereldbeeld heeft overgenomen, maar omdat hij fundamentele vragen stelde over de verhouding tussen bewustzijn, onbewuste processen, ervaringen, relaties en gedrag.
De antwoorden zijn veranderd. De vragen die Freud stelde, zijn voor een belangrijk deel gebleven.
