Tore Nielsen: hoe bouwt je brein nachtmerries?

Je staat in de keuken van je ouderlijk huis.

Op tafel ligt de telefoon die je tegenwoordig gebruikt. Buiten ziet de straat eruit zoals twintig jaar geleden. Je overleden grootmoeder loopt door de gang alsof ze nooit is weggeweest.

Dan hoor je boven iets vallen.

Je weet onmiddellijk dat er iemand in huis is.

De droom verandert.

De vertrouwde keuken wordt een plek waaruit je moet ontsnappen. Je probeert de achterdeur te openen, maar die zit vast. Voetstappen komen de trap af.

Je wordt wakker.

Waar kwam die wereld vandaan?

De Canadese droomonderzoeker Tore Nielsen heeft een groot deel van zijn wetenschappelijke loopbaan besteed aan precies dit soort vragen. Niet alleen: waarom hebben mensen nachtmerries

Maar fundamenteler: hoe combineert een slapend brein herinneringen, plaatsen, emoties en dreiging tot een ervaring die enkele seconden later volkomen werkelijk kan voelen?

1. Waar wordt een nachtmerrie eigenlijk gemaakt?

Het aantrekkelijke antwoord zou zijn: in het angstcentrum van het brein.

Maar zo eenvoudig is het niet.

De amygdala speelt een belangrijke rol bij emotionele processen en dreiging, maar een complete nachtmerrie bestaat uit veel meer dan angst.

Je ziet een omgeving.

Je herkent mensen.

Je beweegt door ruimtes.

Er verschijnen herinneringen.

Je hebt verwachtingen over wat er gaat gebeuren.

En uit al die elementen ontstaat een tijdelijke werkelijkheid waarin je meestal niet beseft dat je droomt.

Geen nachtmerrieknop

Er bestaat dus geen bekende plek in het brein die simpelweg wordt aangezet waarna een nachtmerrie begint.

Nielsens werk bevindt zich juist op het kruispunt van:

◆ slaapfysiologie;

◆ emotionele verwerking;

geheugen;

◆ angst;

◆ droomvorming.

Een nachtmerrie is vanuit dat perspectief geen los angstsignaal, maar een complexe droomervaring

.

2. Hoe onderzoek je iets wat alleen de dromer kan zien?

Dat is een fundamenteel probleem van droomonderzoek.

Een onderzoeker kan hersenactiviteit, oogbewegingen, ademhaling en slaapstadia meten.

Maar hij kan de droom zelf niet rechtstreeks bekijken.

Wakker maken en vragen

Daarom blijft het droomverslag belangrijk

.

Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld:

→ vaststellen in welk slaapstadium iemand zich bevindt;

→ de persoon wakker maken;

→ onmiddellijk naar de droomervaring vragen;

→ droomverslagen coderen en vergelijken;

→ fysiologische gegevens naast de gerapporteerde ervaring leggen.


Nielsen was jarenlang verbonden aan het Dream & Nightmare Laboratory in Montréal, waar juist dit soort empirisch droomonderzoek werd uitgevoerd.

Dat levert geen perfecte toegang tot dromen op.

Een droomverslag blijft een herinnering aan een ervaring die onmiddellijk na het ontwaken wordt verteld.

Maar het brengt de nachtmerrie wel het laboratorium binnen.

3. Dromen we alleen tijdens de REM-slaap?

Nee.

Dit is een van de hardnekkigste versimpelingen rond dromen.

REM-slaap is sterk verbonden met levendige, uitgebreide en emotionele dromen, en klassieke definities van nachtmerries legden veel nadruk op ontwaken uit REM-slaap.

Maar mentale ervaringen en droomachtige beelden worden ook uit NREM-slaap gerapporteerd.

Nielsen heeft uitgebreid geschreven over de vraag hoe scherp het onderscheid tussen REM- en NREM-dromen eigenlijk is.

De simpele versie klopt dus niet

✗ REM = dromen
✗ NREM = geen dromen

De werkelijkheid is ingewikkelder.

✓ dromen worden uit verschillende slaapstadia gerapporteerd;

✓ eigenschappen van droomervaringen kunnen per slaapstadium verschillen;

✓ REM-slaap blijft bijzonder relevant voor levendige emotionele droomervaringen;

✓ nachtmerries worden sterk met REM geassocieerd, maar dromen als verschijnsel zijn niet exclusief REM.

Ook binnen REM zelf kunnen bovendien verschillen bestaan.

Een onderzoek van Nielsen en collega's naar mensen met veel nachtmerries vond aanwijzingen dat bepaalde kenmerken van hun REM-slaap afweken. Dat is interessant, maar onvoldoende om te zeggen dat er één herkenbaar REM-profiel bestaat dat een nachtmerrie veroorzaakt.

4. Waar haalt een nachtmerrie zijn materiaal vandaan?

Hier wordt droomonderzoek bijna vreemd.

Je brein hoeft een droomwereld namelijk niet helemaal uit het niets te maken.

Het beschikt al over een enorme voorraad:

→ mensen;

→ plaatsen;

→ emoties;

→ gebeurtenissen;

→ kennis;

→ herinneringen.

Maar dromen lijken die voorraad niet simpelweg opnieuw af te spelen.

Het slaaplaboratorium komt de droom binnen

Een mooi voorbeeld komt uit onderzoek van Claudia Picard-Deland, Tore Nielsen en Michelle Carr.

Zij onderzochten 528 dromen die in een slaaplaboratorium waren verzameld.

In meer dan een derde van de dromen kwamen elementen uit het laboratorium terug.

Dat konden onderzoekers zijn, elektroden, de ruimte of experimentele taken.

Maar deelnemers droomden niet noodzakelijk een exacte kopie van wat ze die dag hadden meegemaakt. De laboratoriumelementen werden verwerkt in nieuwe droomscenario's.

Dat sluit aan bij een breder inzicht:

een herinnering kan materiaal leveren voor een droom zonder dat de droom een letterlijke herinnering is.

  • Je grootmoeder.
  • Je huidige telefoon.
  • Je ouderlijk huis.
  • Een angst van gisteren.

Ze kunnen allemaal samen in dezelfde keuken verschijnen.


5. Waarom kan zo'n verzonnen wereld echte angst oproepen?

Dit is misschien het merkwaardigste onderdeel.

Er staat werkelijk niemand naast je bed.

En toch ren je in je droom alsof je leven ervan afhangt.

Nielsen en psycholoog Ross Levin probeerden dit soort verschijnselen samen te brengen in een neurocognitief model van nachtmerries. Daarin werden inzichten uit onder meer slaaponderzoek, emotioneel geheugen, angstconditionering en neurowetenschap gecombineerd.

Een emotioneel netwerk

Een belangrijk idee in hun model is dat normale droomprocessen betrokken zouden kunnen zijn bij het verwerken en reorganiseren van angstgerelateerde herinneringen.

Nieuwe droomcontexten zouden emotionele elementen als het ware opnieuw kunnen combineren.

Daarmee ontstaat een fascinerende hypothese:

misschien is de vreemde droomwereld niet zomaar achtergrond.

Misschien is juist het plaatsen van emotioneel materiaal in nieuwe contexten onderdeel van wat tijdens dromen gebeurt.

B- En bij een nachtmerrie?

Nielsen en Levin stelden voor dat nachtmerries kunnen ontstaan wanneer processen rond angstregulatie en fear extinction onvoldoende functioneren.

Maar hier staat een belangrijk waarschuwingsbord:

⚠️ dit is een theoretisch neurocognitief model.

Het is geen rechtstreeks waargenomen mechanisme waarmee wetenschappers inmiddels iedere nachtmerrie kunnen verklaren.

6. Zijn nachtmerries dan mislukte dromen?

Dat klinkt verleidelijk.

Gewone droom → emotie wordt verwerkt → alles gaat goed.

Nachtmerrie → verwerking mislukt → wakker worden.

Maar daarmee maken we van een interessante hypothese alweer te snel een natuurwet.

Nielsen en Levin hebben zelf geprobeerd verschillende soorten verstoord dromen binnen één model te begrijpen: nare dromen, gewone nachtmerries en posttraumatische nachtmerries. Hun model beschrijft nachtmerries als mogelijke verstoringen van emotionele regulatie en angstextinctie.

Maar er bestaan andere theorieën over dromen en nachtmerries.

Denk bijvoorbeeld aan:

threat simulation theory;

◆ continuïteit tussen wakend leven en dromen;

◆ modellen rond stress en hyperarousal;

◆ cognitieve verklaringen;

trauma-gerelateerde processen.

Nielsen ontwikkelde later bovendien de Stress Acceleration Hypothesis of Nightmares, waarin hij onderzocht of vroege negatieve ervaringen langdurige veranderingen kunnen veroorzaken die de kwetsbaarheid voor latere idiopathische nachtmerries vergroten. Ook dat presenteerde hij nadrukkelijk als hypothese.

Het wetenschappelijke verhaal is dus nog niet af.

7. Kan hersenonderzoek vertellen wat jouw monster betekent?

Nee.

En hier ligt een belangrijke grens.

Neurowetenschap kan vragen stellen zoals:

○ Welke hersennetwerken zijn actief tijdens slaap?

○ Hoe veranderen herinneringen tijdens slaap?

○ Welke verschillen zien we gemiddeld bij mensen met veel nachtmerries?

○ Welke rol spelen emotionele processen?

Dat zijn buitengewoon interessante vragen.

Maar stel dat jij vannacht droomt over een zwarte hond in de keuken van je oma.

Geen hersenscan kan vervolgens zeggen:

zwarte hond = angst voor afwijzing.

Daarvoor bestaat geen wetenschappelijke decoder.

Het persoonlijke niveau blijft bestaan

Misschien kende je oma werkelijk een zwarte hond.

Misschien ben je bang voor honden.

Misschien zag je gisteren een hond.

Misschien roept het dier een persoonlijke associatie op die niemand anders kan kennen.

En misschien weet je simpelweg niet waar het vandaan kwam.

Daarom kunnen neurowetenschap en persoonlijke betekenis naast elkaar bestaan.

De ene onderzoekt processen die mensen met elkaar delen.

De andere vraagt wat deze specifieke droom voor deze specifieke dromer betekent — als hij überhaupt betekenis krijgt.


8. Tenslotte

De kamer is weer stil.

Je kijkt naar de deur.

Geen voetstappen.

Geen indringer.

Je grootmoeder is er niet.

De keuken van vroeger bestaat alleen nog in je herinnering.

En toch stond je daar enkele seconden geleden.

Een slapend brein had personen, plaatsen, emoties en fragmenten uit verschillende tijden samengebracht tot een wereld waarin gevaar werkelijk genoeg voelde om je wakker te laten schrikken.

Tore Nielsen heeft geprobeerd te begrijpen hoe zoiets mogelijk is.

Zijn onderzoek en theorieën geven geen definitief antwoord op waarom mensen nachtmerries hebben. Sommige ideeën, zoals de rol van fear extinction, blijven modellen die verder getoetst moeten worden.

Maar zijn werk maakt één ding moeilijk vol te houden:

dat een nachtmerrie simpelweg een willekeurig eng filmpje is dat 's nachts door je hoofd speelt.

Er gebeurt iets veel ingewikkelders.

Herinneringen worden geen exacte herhalingen.

Emoties bestaan niet los van beelden.

Plaatsen worden opnieuw opgebouwd.

Tijden lopen door elkaar.

Een bekende wereld wordt vreemd.

En ergens in dat proces kan angst zo overtuigend worden dat een lichaam dat veilig in bed ligt reageert op een gevaar dat alleen binnen de droom bestaat.

Misschien begrijpen we nog niet volledig waarom het slapende brein dat doet.

Maar juist het feit dat het zo'n complete werkelijkheid kan bouwen, maakt een nachtmerrie wetenschappelijk niet minder raadselachtig.

Het maakt haar wonderlijker.



Bronnen

Nielsen, T. & Levin, R. – Nightmares: A New Neurocognitive Model – Sleep Medicine Reviews (2007)

Levin, R. & Nielsen, T. – Nightmares, Bad Dreams, and Emotion Dysregulation: A Review and New Neurocognitive Model of Dreaming – Current Directions in Psychological Science (2009)

Nielsen, T. e.a. – REM Sleep Characteristics of Nightmare Sufferers Before and After REM Sleep Deprivation – Sleep Medicine (2010)

Nielsen, T. – The Stress Acceleration Hypothesis of Nightmares – Frontiers in Neurology (2017)