- 1. Wat is een fobie?
- 2. Welke soorten specifieke fobieën bestaan er?
- 3. Waardoor kan een fobie ontstaan?
- 4. Waarom kan vermijding een fobie in stand houden?
- 5. Welke klachten kunnen bij een fobie voorkomen?
- 6. Hoe hangen fobieën samen met zelfvertrouwen en andere angsten?
- 7. Hoe wordt een specifieke fobie behandeld?
- 8. Welke relatie bestaat er tussen fobieën en nachtmerries?
- 9. Tenslotte
Fobie
Een fobie is een intense en aanhoudende angst voor een bepaald object of een bepaalde situatie. Bekende voorbeelden zijn angst voor spinnen, slangen, hoogtes, vliegen, bloed, injecties of kleine afgesloten ruimtes. De angst kan zo sterk worden dat iemand veel moeite doet om datgene waarvoor hij bang is te vermijden.
Angst op zichzelf is normaal en nuttig. Het wordt anders wanneer de angst buiten verhouding staat tot het werkelijke gevaar en het dagelijks functioneren begint te beperken.
Een fobie kan ook invloed hebben op stress en slaap. Iemand die voortdurend rekening houdt met een gevreesde situatie kan erover piekeren en er soms over dromen. Toch betekent een nachtmerrie over bijvoorbeeld een spin, vliegtuig of afgesloten ruimte niet automatisch dat de droom vertelt waardoor een fobie is ontstaan.
1. Wat is een fobie?
In het dagelijks taalgebruik wordt het woord fobie gebruikt voor allerlei sterke angsten. Binnen de psychologie en psychiatrie wordt specifieker gesproken over een specifieke fobie.
Daarbij bestaat een uitgesproken angst voor een bepaald object of een bepaalde situatie. Confrontatie daarmee roept vrijwel onmiddellijk angst of spanning op. De persoon vermijdt de situatie of doorstaat deze met sterke angst.
Het kan bijvoorbeeld gaan om iemand die vanwege vliegangst niet meer op vakantie durft, iemand die medische zorg uitstelt vanwege een ernstige angst voor injecties of iemand die door hoogtevrees bepaalde gebouwen of situaties vermijdt.
Het gaat dus niet alleen om de aanwezigheid van angst. Vooral de intensiteit, duur en invloed op het dagelijks leven zijn belangrijk.
Bovendien hoeft iemand met een fobie niet voortdurend te denken dat de angst "onzin" is. Mensen verschillen in de mate waarin zij hun angst als overdreven ervaren.
2. Welke soorten specifieke fobieën bestaan er?
Specifieke fobieën kunnen betrekking hebben op zeer verschillende situaties.
Veelgebruikte categorieën zijn:
- dieren, zoals spinnen, honden, slangen of insecten;
- natuurlijke omstandigheden, zoals hoogte, water of onweer;
- bloed, injecties en verwondingen;
- situaties, zoals vliegen, liften of afgesloten ruimtes;
- andere specifieke prikkels of omstandigheden, zoals angst voor stikken of overgeven.
Niet iedere angst voor iets specifieks is meteen een fobie. Veel mensen vinden spinnen onaangenaam of zijn gespannen tijdens een vlucht zonder dat dit hun dagelijks functioneren ernstig beperkt.
Is sociale fobie ook een specifieke fobie?
De vroegere term sociale fobie wordt tegenwoordig meestal sociale-angststoornis genoemd.
Daarbij draait de angst vooral om situaties waarin iemand verwacht door anderen beoordeeld, afgewezen of vernederd te worden. Dat verschilt van een specifieke fobie voor bijvoorbeeld spinnen of hoogtes.
Ook agorafobie wordt als een afzonderlijke angststoornis beschouwd. Hierbij bestaat angst voor situaties waarin ontsnappen moeilijk lijkt of waarin iemand vreest dat hulp niet beschikbaar is wanneer er iets gebeurt.
Sociale-angststoornis, agorafobie en specifieke fobie kunnen dus met elkaar overeenkomsten vertonen, maar zijn niet simpelweg drie varianten van dezelfde fobie.
3. Waardoor kan een fobie ontstaan?
Er bestaat geen enkele oorzaak waarmee alle fobieën kunnen worden verklaard.
Bij sommige mensen speelt een negatieve ervaring een duidelijke rol. Iemand die door een hond is aangevallen kan bijvoorbeeld daarna een sterke angst voor honden ontwikkelen.
Maar een fobie hoeft niet altijd te beginnen met één traumatische gebeurtenis.
Ook angstleren speelt een belangrijke rol. Mensen kunnen leren dat een bepaalde situatie gevaarlijk is door eigen ervaringen, door het gedrag van anderen te observeren of door informatie over mogelijke gevaren.
Daarnaast kunnen individuele verschillen in temperament en gevoeligheid voor angst een rol spelen.
Een fobie ontstaat daarom meestal uit een samenspel van kwetsbaarheid, ervaringen, leerprocessen en omstandigheden. Een trauma kan relevant zijn, maar is niet noodzakelijk aanwezig.
4. Waarom kan vermijding een fobie in stand houden?
Een van de belangrijkste processen bij fobieën is vermijding.
Stel dat iemand bang is voor liften. Iedere keer wanneer deze persoon een lift ziet, kiest hij de trap.
Op korte termijn werkt dat uitstekend: de angst neemt onmiddellijk af.
Maar daardoor ontbreekt ook de ervaring dat een lift gebruikt kan worden zonder dat de gevreesde ramp plaatsvindt.
Zo kan een zichzelf versterkend patroon ontstaan:
angst → vermijden → opluchting → geen nieuwe veilige ervaring → angst blijft bestaan.
Hetzelfde kan gebeuren bij vliegangst, hoogtevrees, dierenfobieën en andere specifieke fobieën.
Vermijding kan bovendien steeds uitgebreider worden. Iemand met vliegangst vermijdt eerst misschien alleen lange vluchten, vervolgens alle vliegreizen en uiteindelijk zelfs werk of familiebezoek waarvoor vliegen noodzakelijk zou zijn.
De invloed van de fobie op het dagelijks leven wordt dan steeds groter.
5. Welke klachten kunnen bij een fobie voorkomen?
Wanneer iemand wordt geconfronteerd met datgene waarvoor hij bang is, kan het normale alarmsysteem van het lichaam sterk worden geactiveerd.
Mogelijke lichamelijke reacties zijn hartkloppingen, zweten, trillen, duizeligheid, misselijkheid, spierspanning, benauwdheid en een veranderde ademhaling.
Bij sterke angst kan ook hyperventilatie optreden.
Psychologisch kan iemand een sterke drang ervaren om te vluchten. Gedachten kunnen volledig worden beheerst door wat er mogelijk misgaat.
Ook anticipatie speelt een rol. Iemand met vliegangst hoeft bijvoorbeeld niet in een vliegtuig te zitten om angst te ervaren. Alleen het vooruitzicht van een vlucht kan dagen of weken eerder al spanning en piekeren veroorzaken.
Bij ernstige fobieën kan deze voortdurende anticipatie uiteindelijk invloed hebben op werk, relaties, reizen, medische zorg en andere onderdelen van het dagelijks leven.
6. Hoe hangen fobieën samen met zelfvertrouwen en andere angsten?
Een specifieke fobie betekent niet automatisch dat iemand weinig zelfvertrouwen of een lage eigenwaarde heeft.
Iemand kan bijvoorbeeld zeer zelfverzekerd functioneren en tegelijkertijd doodsbang zijn voor spinnen.
Bij andere angstproblemen kunnen zelfbeeld en sociale onzekerheid wel belangrijker zijn. Vooral bij sociale angst kunnen angst voor afwijzing, schaamte, pesten, negatieve sociale ervaringen en een laag zelfbeeld met elkaar samenhangen.
Ook faalangst heeft een ander accent. Daar staat de angst om tekort te schieten of niet aan verwachtingen te voldoen centraal.
Deze verschillen zijn belangrijk. Niet iedere sterke angst ontstaat door dezelfde psychologische processen en daarom moet ook niet automatisch naar dezelfde onderliggende oorzaak worden gezocht.
7. Hoe wordt een specifieke fobie behandeld?
Exposuretherapie, ook wel blootstellingstherapie genoemd, behoort tot de best onderzochte psychologische behandelingen voor specifieke fobieën.
Daarbij wordt iemand op een gecontroleerde manier geconfronteerd met het gevreesde object of de gevreesde situatie in plaats van deze steeds te vermijden.
Dit gebeurt niet met als doel iemand simpelweg zoveel mogelijk angst te laten ervaren. Tijdens exposure kunnen nieuwe ervaringen ontstaan die concurreren met bestaande verwachtingen over gevaar.
Iemand met een hondenfobie kan bijvoorbeeld geleidelijk ervaren dat de aanwezigheid van een hond niet automatisch betekent dat hij wordt aangevallen.
Bij een liftfobie kan iemand ervaren dat spanning kan stijgen en vervolgens weer afnemen zonder te hoeven vluchten.
Onderzoek naar specifieke fobieën laat grote effecten van exposurebehandelingen zien. Zowel behandelingen met meerdere sessies als bepaalde intensieve behandelingen in één sessie kunnen effectief zijn.
Welke vorm passend is, hangt onder andere af van het soort fobie, de ernst ervan en de persoon zelf.
Wanneer angst ernstige beperkingen veroorzaakt, kan beoordeling door een gekwalificeerde psychologische of medische professional verstandig zijn.
8. Welke relatie bestaat er tussen fobieën en nachtmerries?
Angststoornissen en nachtmerries kunnen met elkaar samenhangen. Voor verschillende psychische aandoeningen is onderzoek gedaan naar relaties tussen angst, emotionele ontregeling, slaap en nachtmerries.
Voor specifieke fobieën afzonderlijk is het wetenschappelijke onderzoek naar nachtmerries echter beperkt.
Daarom kunnen we niet algemeen stellen dat iemand met een specifieke fobie automatisch vaker nachtmerries heeft of dat een fobie rechtstreeks nachtmerries veroorzaakt.
Het is wel mogelijk dat een sterke angst in dromen terugkomt.
Iemand met een spinnenfobie kan over spinnen dromen. Iemand met vliegangst kan dromen over een neerstortend vliegtuig en iemand met claustrofobie over opgesloten zitten.
Ook stress, piekeren en anticipatie rond een gevreesde gebeurtenis kunnen mogelijk invloed hebben op de droombeleving.
Onthult een nachtmerrie de oorzaak van een fobie?
Daarvoor bestaat geen betrouwbaar wetenschappelijk bewijs.
Een droom over een slang bewijst bijvoorbeeld niet dat de slang een verborgen psychologisch probleem symboliseert. En een terugkerende droom over opgesloten zitten vertelt niet automatisch waarom iemand claustrofobie heeft ontwikkeld.
Dat betekent niet dat een droom persoonlijk betekenisloos is. Dromen kunnen aansluiten bij angsten, herinneringen en gebeurtenissen die iemand bezighouden. De betekenis die iemand persoonlijk aan zo'n droom geeft, moet echter worden onderscheiden van een wetenschappelijk vastgestelde oorzaak van een fobie.
Wanneer terugkerende nachtmerries zelf veel lijdensdruk of slaapverstoring veroorzaken, kunnen deze afzonderlijke aandacht krijgen. Binnen de behandeling van nachtmerries is bijvoorbeeld Imagery Rehearsal Therapy (IRT) onderzocht. Daarbij wordt een terugkerende nachtmerrie tijdens het wakker zijn aangepast en wordt de nieuwe versie vervolgens in de verbeelding gerepeteerd.
Dat is iets anders dan exposuretherapie voor een specifieke fobie.
Bij exposure staat de confrontatie met de gevreesde prikkel en het veranderen van angstleren centraal. Bij IRT staat de terugkerende nachtmerrie centraal. Wanneer beide problemen naast elkaar bestaan, moet dus worden bekeken welk probleem behandeld wordt en welke methode daarbij past.
9. Tenslotte
Een specifieke fobie is een sterke en aanhoudende angst voor een bepaald object of een bepaalde situatie die het dagelijks leven aanzienlijk kan beperken. Angstleren, eerdere ervaringen, persoonlijke kwetsbaarheid en vooral vermijdingsgedrag kunnen bijdragen aan het ontstaan of voortbestaan ervan.
Exposuretherapie behoort tot de best onderzochte behandelingen. Door vermijding gecontroleerd te doorbreken kunnen nieuwe ervaringen ontstaan waardoor de oorspronkelijke angst minder dominant wordt.
De relatie tussen specifieke fobieën en nachtmerries is veel minder uitgebreid onderzocht. Angst kan in dromen terugkomen, maar een nachtmerrie is geen betrouwbare methode om de verborgen oorzaak van een fobie te ontdekken.
Wanneer een fobie of terugkerende nachtmerries het dagelijks functioneren of de slaap duidelijk beïnvloeden, kan professionele hulp passend zijn.